Trauma en Stress

WAT WIJ DOEN VOOR KINDEREN, JONGEREN EN VOLWASSENEN:

  • Onderzoek naar en diagnostiek van:
    * de reactieve hechtingsstoornis
    * de ontremd-sociaalcontactstoornis
    * de posttraumatische-stressstoornis (ook bij kinderen van 6 jaar en jonger)
    * de acute stressstoornis
    * aanpassingsstoornissen.
  • Behandeling/therapie bij één of meerdere van de zojuist genoemde stoornissen.
  • Behandeling/therapie bij klachten, die lijken op één of meer van de bovengenoemde stoornissen. De klachten zijn dan niet zo ernstig, dat sprake is van een stoornis, maar ze kunnen wél een negatieve invloed hebben op het algemeen dagelijks functioneren.
  • Second opinion, wanneer u het niet eens bent met een (eerdere) diagnose, die duidt op één of meer van bovengenoemde stoornissen, of wanneer u het niet eens ben met de behandeling van de stoornis.  

 

Wat is het?

  • De reactieve hechtingsstoornis (ook wel “Geen Bodem Syndroom” genoemd): een stoornis, die al vóór het 5e levensjaar duidelijk aanwezig is, waarbij het kind zich geremd, emotioneel teruggetrokken gedraagt richting de ouders of richting anderen die voor het kind zorgen.Het kind kan zich niet op een “normale” (gepaste) wijze emotioneel hechten aan de ouders of de verzorgers. Het kind zoekt dan nauwelijks troost, als het van streek is én het reageert nauwelijks op troost als het van streek is.
    Sociaal en emotioneel gezien reageert het kind zeer beperkt op anderen; het kind toont weinig tot geen positieve genegenheid (“affectie”) naar anderen; er kunnen zich periodes voordoen, waarin het kind zonder een duidelijke reden prikkelbaar, verdrietig of angstig is in de omgang met de volwassen verzorgers (ook al is die omgang niet bedreigend voor het kind). 
    De oorzaak van een reactieve hechtingsstoornis kan liggen in fysieke, affectieve of emotionele verwaarlozing, of in geestelijke of lichamelijke mishandeling, maar het kan ook zijn, dat de stoornis is ontstaan doordat het kind onvoldoende gelegenheid krijgt of heeft gekregen om emotionele banden te vormen, bijvoorbeeld als het regelmatig andere verzorgers krijgt.

    De reactieve hechtingsstoornis komt het meest voor bij  kinderen uit de pleegzorg; adoptiekinderen (ook wat oudere), waarvan de voorgeschiedenis nauwelijks bekend is; kinderen die (van jongs af aan) slachtoffer zijn geweest van lichamelijke of geestelijke kindermishandeling; kinderen van ouders met psychische problemen of verslavingsproblemen.

    In de vorige “diagnosehandleiding voor psychiaters en psychologen”, de DSM-IV werd bij een reactieve hechtingsstoornis onderscheid gemaakt tussen twee “typen kinderen”, namelijk het geremde en het ontremde type. In de huidige diagnosehandleiding (DSM-5) wordt dat onderscheid niet langer gemaakt: bij de reactieve hechtingsstoornis wordt expliciet verwezen naar kinderen van het geremde type.
    Kenmerken: het kind heeft in emotioneel opzicht korte en oppervlakkige relaties met anderen; is steeds op zijn/haar hoede; weigert genegenheid van verzorgers; verzet zich tegen troosten en spelen; loopt het risico in een sociaal isolement te geraken. Het kind voelt zich steeds afgewezen en ongewenst; het reageert vaak onvoorspelbaar en gedraagt zich tegenstrijdig; het kind heeft voortdurend last van stress en een gevoel van hulpeloosheid. Als gevolg daarvan is er sprake van ernstig verstoorde emoties en gedragingen.

 

  • De ontremd-sociaalcontactstoornis: bij deze stoornis gaat het om het kind, dat tot het ontremde type wordt gerekend. De achtergronden en mogelijke oorzaken komen overeen met die, welke hierboven genoemd zijn bij de reactieve hechtingsstoornis. Echter, de kenmerken en het gedrag van het kind met de ontremd-sociaalcontactstoornis zijn duidelijk verschillend: het ontremde kind maakt geen of nauwelijks onderscheid tussen vertrouwde en onbekende personen en laat daardoor bij anderen niet leeftijdsadequaat en ongepast gedrag zien; het kind vertoont te aanhankelijk gedrag en gaat overdreven vrij en vriendelijk om met volwassenen: het is grenzeloos in het aangaan van relaties en vriendschappen. Het kind vraagt veel negatieve aandacht en het gedrag kan onbeleefd/on(aan)gepast zijn. Ontremde kinderen kennen geen of nauwelijks berouw en ze zijn amper gevoelig voor straf of pogingen om het gedrag te corrigeren. Ze zijn gemakkelijk door anderen te beïnvloeden, waardoor ze het risico lopen om in het criminele milieu te belanden.     

veilig

 

 

  • De posttraumatische-stressstoornis:  
    Bij kinderen van 6 jaar of jonger: er heeft blootstelling plaats (gehad) aan een echte of dreigende dood, een ernstige verwonding of seksueel geweld, waarbij het kind:     

    • de gebeurtenis zélf heeft ondergaan;
    • persoonlijk getuige is geweest van de gebeurtenis, terwijl die ander(en)  – in het bijzonder de (stief-)ouders e.d. – overkwam;
    • te horen krijgt, dat de gebeurtenis een ouder/de ouders of verzorger(s) is overkomen. 

Nadat de psychotraumatische gebeurtenis heeft plaatsgevonden, treden ongewenste en pijnlijke symptomen op. Kenmerkend daarbij is, dat de traumatische gebeurtenis steeds wordt herbeleefd op één of meer van de volgende manieren:  herinneringen aan het trauma, die zich steeds opnieuw blijven opdringen; onaangename dromen die samenhangen met het trauma; het kind handelt/voelt, alsof het trauma opnieuw plaats vindt en er is sprake van dissociatie (het kind vervreemdt van zichzelf en/of van zijn omgeving); heftige emoties en lichamelijke reacties, als het kind aan (aspecten/prikkels e.d. van) het trauma herinnerd wordt.

Het kind vermijdt prikkels, die samenhangen met het trauma. Dat kan door het vermijden van gedachten, gevoelens, plaatsen, mensen, voorwerpen en situaties.

Er vinden negatieve veranderingen plaats in de gedachten en de stemming van het kind. De veranderingen, die samenhangen met het trauma, zijn: negatieve gedachten en gemoedstoestanden, zoals vrees, schuldgevoel, verdriet, schaamte en verwarring; minder of helemaal niet deelnemen aan belangrijke activiteiten; sociaal teruggetrokken gedrag; toenemende en hardnekkige problemen met het uiten van positieve emoties (blij zijn e.d.)

Veranderingen in de gemoedstoestand en de manier, waarop het kind reageert: prikkelbaar gedrag en woede-uitbarstingen(verbale en fysieke agressie); een buitensporige alertheid (ook wel ‘hypervigilantie’ genoemd); overdreven schrikreacties; concentratieproblemen; slaapproblemen.

We spreken van een Post Traumatische Stress STOORNIS bij kinderen van 6 jaar of jonger, als de beschreven toestand langer dan één maand duurt én het kind duidelijk psychisch lijdt en/of als er vanwege het trauma sprake is van beperkingen in de relaties met ouders, broers/zussen, leeftijdgenoten en/of als het kind vanwege het trauma gedragsproblemen vertoont op school.

 

ptss-kind   

 

 

 

 

 

 

 

 

De posttraumatische stress-stoornis bij kinderen van 6 jaar of ouder, bij adolescenten en bij volwassenen:

 

 

 

Deze pagina wordt continu bijgewerkt/geupdatet.