Dyscalculie en Rekenproblemen

Drs. Ruud van Beijsterveldt heeft meegewerkt aan de totstandkoming van het bekendste Nederlandse dyscalculie screeningsinstrument: de Zareki – R – NL van Pearson Testuitgevers Amsterdam.

Activiteiten:

  • Dyscalculie-onderzoek.
  • Onderzoek naar leerachterstanden en leerproblemen bij rekenen en wiskunde. Oók voor volwassenen!
  • Remedial Teaching/ Orthodidactische behandeling bij Dyscalculie en leerachterstanden/problemen bij rekenen-wiskunde en wiskunde-gerelateerde vakgebieden. Wij ondersteunen en behandelen óók volwassenen!

 

Definitie van dyscalculie: een stoornis, die gekenmerkt wordt door hardnekkige problemen met het leren en vlot en/of accuraat oproepen en/of toepassen van reken-/wiskundekennis (feiten/afspraken).
Een person, die dyscalculia heeft, noemen we een “dyscalculicus.”

» Klik hier om meer te lezen

 

 

eduman011

 

 

Onderzoek naar ‘dyscalculie’ heeft alléén zin als is voldaan aan de volgende drie voorwaarden/criteria:

  1. Criterium van ernst: de rekenachterstand is significant ten opzichte van leeftijd- en/of opleidinggenoten.’Significant’ betekent, dat het kind/de jongere (hierna te noemen: de leerling) op de laatste drie achtereenvolgende meetmomenten (gestandaardiseerde schooltoetsen) Cito-E scores of Cito-D scores heeft behaald. Met een Cito-E of -D score (volgens de huidige Cito-indeling: niveau V) behoort de leerling tot de categorie zwakste rekenaars.
    Een uitzondering vormt de groep (hoog-)begaafde leerlingen. Zij hoeven niet persé E- of D-scores te behalen, omdat zij door hun hoge(re) intelligentie vaak compensatietechnieken kunnen toepassen, waardoor het lijkt, dat zij toch over voldoende rekenvaardigheden beschikken.
  2. Criterium van achterstand: de rekenkennis en – vaardigheden blijven significant achter bij de normaal te verwachten inviduele ontwikkeling van die persoon. Dit wil zeggen, dat de prestaties op rekenen/wiskunde sterk achterblijven bij de prestaties van die leerling op andere (school-)vakken.
  3. Criterium van didactische resistentie: de problemen met het rekenen zijn dermate hardnekkig, dat ze ‘resistent’ zijn tegen extra ondersteuning in de vorm van gespecialiseerde hulp. Met andere woorden: ook al krijgt de leerling extra ondersteuning, dan nóg kan geen normaal te verwachten vooruitgang worden bewerkstelligd. Om de hardnekkigheid/didactische resistentie te kunnen aantonen, dient een leerling gedurende tenminste zes onderwijsmaanden structurele en gespecialiseerde ondersteuning (in de vorm van remedial teaching) te hebben gehad met een frequentie van minimaal twee keer per week en gedurende minstens een half uur per keer. Pas als na die zes maanden blijkt, dat amper vooruitgang is geboekt, mogen we spreken van didactische resistentie. 

Kanttekeningen bij de criteria:

  • Er vindt geen dyscalculie-onderzoek plaats, als het IQ van een leerling lager dan 80 is. Een dergelijke leerling zal meestal over de hele linie (voor de meeste schoolvakken) slechte schoolprestaties laten zien. We spreken dan van een algemeen leerprobleem, of van rekenproblemen vanwege cognitieve tekorten, maar niet van dyscalculie.
  • De problemen met de rekenvaardigheden moeten al op jonge leeftijd – dit is rond de leeftijd van 7 jaar, of Eind Groep 5/Begin Groep 6 – gezien zijn. Echter, bij (hoog-)begaafde leerlingen komt het vaak voor, dat de rekenproblemen pas in Eind Groep 6 of nog later aan de oppervlakte komen.
    Laten we de (hoog-)begaafde leerlingen buiten beschouwing, dan kunnen we stellen, dat, als een leerling pas na Groep 6 voor het eerst rekenproblemen heeft, die leerling hoogstwaarschijnlijk geen dyscalculia heeft. Er is dus ook géén sprake van dyscalculie, als een jongere binnen het Voortgezet Onderwijs niet mee kan komen met het vak wiskunde, terwijl in het Basisonderwijs nooit rekenproblemen zijn waargenomen.
  • We onderscheiden vier ‘rekendomeinen’:
    1. Getallen en Bewerkingen;
    2. Verhoudingen;
    3. Breuken & Procenten;
    4. Meten, meetkunde, tijd en geld.

    Voor dyscalculie is het van belang, dat de rekenproblematiek altijd/tenminste te maken moet hebben met het domein “Getallen en Bewerkingen.”

  • Tussen “wel en niet dyscalculie” ligt een grijs gebied. Zo kunnen bijvoorbeeld kinderen, bij wie de rekenproblematiek te laat wordt gesignaleerd, ten onrechte de kwalificatie ‘algemeen leerprobleem’ krijgen: zij hebben vaak door hun frustraties met het rekenen de brui gegeven aan het leren en scoren daardoor inmiddels op alle schoolvakken slecht/zwak.

    Bij personen met dyscalculie zien we – naast een altijd bestaand tekort in de automatisering (tafels van vermenigvuldiging, eenvoudige + en – sommen) – één of meer van de volgende problemen:

    • tekort op het gebied van declaratieve kennis: de automatisering komt niet of nauwelijks op gang bij de basisrekenvaardigeheden (optellen, aftrekken,   vermenigvuldigen en delen) en het lukt niet of amper om rekenfeiten snel en/of accuraat uit het geheugen op te roepen. Bij eenvoudige sommen moet dan   steeds bijvoorbeeld op de vingers worden geteld, of dóór worden geteld. Het ‘concreet rekenen’ gaat daardoor niet over in ‘abstract rekenen.’
    • tekort op het gebied van de procedurele kennis: het uitvoeren van stappenplannen, het gebruik van begrippen tijdens het nemen van de stappen en het in   de juiste volgorde uit voeren van de stappen gaat fout.
    • visueel-ruimtelijk tekort: niet of onvoldoende begrip en besef hebben van (relatieve) ‘reken’-ruimte. Daardoor heeft men moeite met het kloklezen en/of met   het plaatsen van getallen op een getallenlijn. Ook komt het vaak voor, dat men cijfers door elkaar haalt bij het lezen/schrijven van grote getallen.
    • tekort aan getallenkennis en – waarden: de samenhang en relatieve plaats van cijfers en getallen wordt niet begrepen binnen het getallensysteem, waardoor   men bv. eenheden, tientallen, honderdtallen etc. door elkaar haalt.

 

Overige informative omtrent dyscalculie:

Dyscalculie is – zoals gezegd – een rekenstoornis, waarbij de automatisering van de rekenvaardigheden zich niet of nauwelijks ontwikkelt. Kinderen/jongeren/volwassenen hebben dan zeer grote moeite met de betekenis van getallen (getalbegrip), de basisvaardigheden van het rekenen (optel-, aftrek-, tafel- en deelsommen), de telvaardigheid en tel-/rekenbewerkingen en met het verkrijgen van inzicht in de manier, waarop sommen en rekentaken moeten worden aangepakt en opgelost.
Aangezien dyscalculie een (reken-)stoornis is, kom je er niet van af. Tóch is dyscalculie meestal goed te behandelen: je leert dan om je ‘goede’ rekenvaardigheden optimaal te benutten en je zwakke rekenvaardigheden te hanteren op een wijze, die bij jóu past. Het is van groot belang om dyscalculie in een zo vroeg mogelijk stadium te onderkennen en te behandelen

Dyscalculie komt bij minimaal 3% van de bevolking voor. Dyscalculie kan samengaan met andere stoornissen. Dat noemen we “comorbiditeit.” Comorbide stoornissen zijn bij dyscalculie meestal: dyslexie, AD(H)D, (faal-)angststoornis en DCD (ook wel “dyspraxie” genoemd; een stoornis die zich kenmerkt door problemen met het coördineren van bewegingen).

Indien ouders, school of deskundigen vermoeden, dat bij een kind/jongere/volwassene sprake is van dyscalculie, kunt u bij Edumax laten onderzoeken, of de rekenstoornis inderdaad aanwezig is. Als in eerder onderzoek dyscalculie is vastgesteld, kan direct begonnen worden met orthodidactische behandeling/Remedial Teaching.

 

 

eduman031

 

 

 Onderzoek naar dyscalculie bij Edumax: 

Om u als volwassene, ouders of school niet op onnodige kosten te jagen, wordt het dyscalculie-onderzoek in twee afzonderlijke delen uitgevoerd.

  • In het eerste deel wordt gekeken, of er daadwerkelijk sprake is van dyscalculie. Met andere woorden: wordt/is voldaan aan de criteria van ernst, achterstand en didactische resistentie?
    Dit noemen we de “onderkennende diagnose.” In deze eerste fase wordt ook al een deel van de “verklarende diagnose” (zie onder) uitgevoerd.
    Gegevens van de school (rapporten, LeerlingVolgSysteem e.d.) dienen altijd te worden aangeleverd!
    Zoals gezegd, kán dyscalculie samengaan met dyslexie, of met leeszwakte. Het is echter ook mogelijk, dat er geen rekenproblemen zouden zijn, als er geen leesproblemen waren. In dat geval spreken we niet van dyscalculie! Het dyscalculie-onderzoek begint daarom met het afnemen van enkele leestesten, om uit te sluiten, dat leesproblemen de oorzaak zijn van de rekenproblemen.
    Vervolgens wordt tijdens rekentesten (onderkennende fase) vaak al voor een groot deel duidelijk, wáárom een kind/jongere/volwassene veel moeite heeft met het rekenen.
    De vraag naar het wáárom is een onderdeel van de “verklarende diagnose.”
    In het eerste deel van het onderzoek maken wij ook gebruik van één of meerdere “dyscalculie-screeners”, namelijk:

    • de Engelse Dyscalculiescreener (Butterworth), waarvan wij een Nederlandse bewerking/vertaling hebben gemaakt;
    • de Zareki-R-NL;
    • de Nederlandse Dyscalculie Screener (NDS);
    • de Tedi-Math.

    Als uit het eerste deel van het onderzoek blijkt, dat iemand inderdaad “dyscalculisch” is, wordt het onderzoek voortgezet met het tweede deel. Blijkt de persoon niét dyscalculisch te zijn, dan wordt het tweede deel van het onderzoek niet meer afgenomen. De persoon kan dan als rekenzwak worden aangemerkt, maar van een rekenstoornis is in dat geval geen sprake.
    Wij hebben bij Edumax veel ervaring met het succesvol ondersteunen van kinderen en volwassenen met ernstige rekenproblemen.

  • Het tweede deel van het onderzoek omvat het uitvoeren van de verklarende diagnose (onderzoeken wáárom het kind/de jongere/de volwassene een rekenstoornis heeft). Verklarende factoren zijn onder andere:
    • problemen met executieve functies: het plannen van stappen en het volgen van procedures kost veel moeite;
    • problemen met het snel achter elkaar benoemen (oplezen) van cijfers en/of van letters, plaatjes, woorden. We noemen dat het “serieel benoemen”. Testen, die gericht zijn op serieel benoemen, geven een indruk van hoe snel iemand bekende begrippen, betekenissen, omschrijvingen e.d. uit het lange termijn geheugen kan ophalen, koppelen en oplezen.
    • problemen met het verbale en/of het visueel-ruimtelijke korte termijngeheugen en werkgeheugen, waardoor het moeilijk is om informatie gedurende het rekenen vast te houden en/of te manipuleren (bewerken) in het werkgeheugen.
    • problemen met de aandacht en de concentratie: er wordt bijvoorbeeld onvoldoende nauwkeurig naar een rekenopgave gekeken en/of men heeft de neiging om te snel te antwoorden, omdat men het reageren (=antwoorden) niet kan onderdrukken. Dat niet kunnen onderdrukken (lees: remmen) van het geven van een reactie noemen we “inhibitie.”

    Tijdens het tweede deel wordt ook onderzocht, of iemand nog andere problemen, of stoornissen heeft, die samengaan met de dyscalculie (comorbiditeit)..

    Tot slot wordt de “handelingsgerichte/indicerende diagnose” verricht. Hierbij wordt onderzocht én aangegeven, welke maatregelen nodig zijn, om de problemen, die iemand binnen het onderwijs (en daarbuiten) ervaart vanwege de vastgestelde dyscalculie en eventuele comorbide factoren, zoveel mogelijk te verminderen, of op te heffen.
    Adviezen voor het onderwijs betreffen de zogenaamde STICORDI-maatregelen: 

    • Stimuleren: het aanmoedigen van een individu met dyscalculie; het uitleggen, waarom oefening noodzakelijk is; zorgen voor continuïteit en samenhang in de begeleiding; de vorderingen (ook met een kaart) benadrukken; aansluiten bij de interesses van een leerling; medewerking van ouders tot stand brengen; acceptatie in de klas van iemand met een rekenstoornis; tutor leren, waarbij een medeleerling de dyscalculicus helpt; audio-opnamen bij rekenteksten en – opgaven; huistaken en agenda samen met de leerling doornemen; et cetera.
    • Compenseren: uit het onderzoek komt naar voren, wat de zwakke en sterke punten van de dyscalculische persoon zijn; die punten worden nader uitgewerkt en er worden vervolgens maatregelen genoemd, die nodig zijn om de sterke punten van de leerling optimaal te hanteren en te ontwikkelen. Aldus worden de zwakke punten gecompenseerd.
    • Remediëren: adviezen voor leerkracht/docent en remedial teacher, om de benodigde vaardigheden op het gebied van rekenen/wiskunde optimaal te ontwikkelen. De informatie-overdracht, de instructie, de oefeningen en opdrachten moeten op de dyscalculicus worden afgestemd door rekening te
      houden met de algemene leerstrategie, de reken-/oplossingsstrategie, de manier waarop informative wordt overgedragen (auditief (horen) en/of
      visueel (zien), het functioneren van het geheugen, de concentratie, de (faal-)angst, et cetera.  
    • Dispenseren: vrijstelling van bepaalde activiteiten, vakonderdelen, vakken of doelen en de vrijgestelde onderdelen vervangen door evenwaardige activiteiten en doelen. Waar precies vrijstelling voor kan worden gegeven, hangt af van het type onderwijs en de daarbinnen geldende wetgeving/richtlijnen voor dyslcalculici. 


    Compenserende en dispenserende maatregelen, die genomen kunnen worden binnen
    :

    • het Basisonderwijs: extra tijd bij toetsen (30 minuten extra bij een toets van 2 uur); gebruik van een rekenmachine, gebruik van een opzoekboekje of ‘spiekboekje’; gebruik van een kaart met stappenplannen voor de aanpak van bepaalde sommen(-soorten); gebruik van een tafelkaart; geen onvoorbereide overhoringen; geen opgaven op het schoolbord hoeven doen.
    • het Voortgezet Onderwijs: 30 minuten extra tijd bij toetsen; gebruik van een rekenmachine; gebruik van een opzoekboekje; gebruik van een formulekaart.VMBO-leerlingen met een bepaald profile kunnen ná het 2e leerjaar wiskunde laten vallen.
      Er zijn per schoolniveau in het Voortgezet Onderwijs bepaalde maatregelen mogelijk. De eisen voor het HAVO en het VWO zijn zwaarder dan voor het VMBO. Bepaalde voorzieningen, die tijdens proefwerken en schoolexamens mogen worden gebruikt, zijn soms weer niet toegestaand bij het central examen.

 

 

eduman008

 

 

Ons advies: laat een goed dyscalculie-onderzoek doen, dat aansluit bij de wettelijke eisen!
Een goed dyscalculie-onderzoek is uitgebreider dan een dyslexie-onderzoek! Een volledig onderzoek naar dyscalculie omvat tenminste:

  • Intakegesprek.
  • Bestudering van aangeleverde gegevens.
  • Observaties.
  • Afname dyscalculiescreener(s).
  • Kort dyslexie-onderzoek.
  • Intelligentie-onderzoek.
  • Onderzoek betreffende executieve functies en planning, seriële benoemsnelheid, geheugen en concentratie.
  • Uitgebreid algemeen rekenonderzoek aan de hand van automatiseringstoetsen, Cito-rekentoetsen e.d.
  • Procesmatig rekenonderzoek: wat wordt wel/niet beheerst?; wat gaat wanneer fout en waarom?; is er getalinzicht?; is er sprake van automatiseringstekorten?; worden rekenstrategieën beheerst?; is het mogelijk om de persoon begrippen/stappen/ strategieën aan te leren? etcetera.
  • Onderzoek van het psychisch/sociaal-emotioneel functioneren (Is er bv. sprake van comorbiditeit?).
  • Uitgebreide rapportage, inclusief uitwerking onderkennende, verklarende en handelingsgerichte diagnose.
  • Eindgesprek en afgifte van de dyscalculieverklaring.

 

Dyscalculie-onderzoek is, vergeleken met dyslexie-onderzoek, nog tamelijk ‘jong.’ Er bestaan pas kort duidelijke(re) richtlijnen over de vorm, de inhoud en de criteria van het dyscalculie-onderzoek. Helaas houden vele ‘onderzoekers’ zich niet aan de richtlijnen en daardoor kan het gebeuren, dat zij ‘dyscalculie-onderzoek’ aanbieden tegen ‘onmogelijke tarieven.’ U moet er rekening mee houden, dat ongefundeerd (lees: niet volgens de richtlijnen uitgevoerd) dyscalculie-onderzoek en een op grond daarvan afgegeven dyscalculie verklaring in de toekomst afgekeurd kunnen worden. Het hele onderzoek moet dan worden overgedaan; goedkoop wordt zo alsnog duurkoop….. 

count


Een kind, jongere of volwassen kan bij Edumax worden aangemeld voor onderzoek en/of behandeling, indien:

  • vermoed wordt, of reeds is vastgesteld, dat er sprake is van dyscalculie of ernstige rekenproblemen.
  • sprake is van een (leer-)achterstand in/problemen met rekenen, wiskunde en aanverwante vakken( niveau Basisschool tot en met Universiteit)
    Zoals eerder gesteld, kunnen moeilijkheden met rekenen en/of wiskunde (en wiskunde-achtige vakken) ook vóórkomen zonder dat sprake hoeft te zijn van dyscalculie. Er ontstaat, of bestaat dan een (leer-)achterstand voor het vak rekenen, wiskunde en/of voor andere vakken, waarbij rekenen-wiskunde van belang is (zoals natuurkunde, scheikunde, economie e.d.) . Wij beschikken bij Edumax over specialistische orthodidactische en remediërende vaardigheden voor de behandeling van problemen met rekenen, wiskunde en aanverwante vakgebieden. Bovendien is onze vakinhoudelijke kennis op het gebied van rekenen, wiskunde en “rekenachtige” vakken zonder meer goed te noemen. Onze individuele aanpak leidt vaak tot het grotendeels of zelfs het geheel wegwerken van achterstanden en oplossen van problemen bij rekenen, wiskunde, natuurkunde, economie e.d.

 

Indien u meer wilt weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op over de mogelijkheden.

» Klik hier om in te klappen