Schoolkeuze

Klassikale/groepsgewijze afname van de NIO bij uw kind: NIET DOEN! (Zie hieronder)

Activiteiten:

  • Schoolkeuze-onderzoek teneinde te komen tot een schooladvies voor een bepaald type Voortgezet Onderwijs. Dergelijk onderzoek is ook mogelijk als “second opinion.”
  • Aanvullend onderzoek ter ondersteuning van het schooladvies: onderzoek naar de werkhouding (motivatie, leertempo, zelfstandigheid, concentratie), het sociaal-emotioneel functioneren (faalangst, zelfbeeld en zelfvertrouwen), de beroepskeuze en dergelijke.

Kinderen, ouders/verzorgers, scholen en leerkrachten moeten in samenspraak met elkaar een beslissing nemen over de schoolkeuze (en beroepskeuze) van het kind. In het Basisonderwijs moet een definitieve keuze worden gemaakt gedurende het laatste schooljaar (Groep 8).
In het Voortgezet Onderwijs kan, dankzij het brugklassensysteem, een leerling redelijk soepel overstappen van het ene schooltype naar het andere.

» Klik hier om meer te lezen

Basisonderwijs

Kinderen en hun ouders/verzorgers letten bij de school- en beroepskeuze met name op de rapportcijfers, op de wensen van het kind en de door hen zelf ingeschatte mogelijkheden en beperkingen van hun kind.
Scholen en leerkrachten baseren zich vooral op de behaalde cijfers, op de observaties van het kind in de klas (gedrag, motivatie, werkhouding, e.d.) en op de scores van het kind op de CITO-toetsen.  

Sommige scholen geven reeds op grond van de scores op de Cito-Entreetoets voor Groep 6 en/of Groep 7 een eerste (globale) indicatie voor de schoolkeuze.
De CITO-Eindtoets voor Groep 8 wordt gezien als het “moment suprème.” Deze afsluitende toets voor het BasisOnderwijs is zodanig geconstrueerd, dat de testuitslag aangeeft:

  • Welke leergebieden (Taal, Rekenen-Wiskunde, Studievaardigheden en Wereldoriëntatie) voldoende aan het eind van de Basisschool worden beheerst en welke niet;
  • Op welk niveau de leerling de leerstof van genoemde leergebieden daadwerkelijk beheerst. De optelling van de afzonderlijke scores op die leergebieden resulteert in een eindscore, die een indicatie is voor het meest voor de hand liggende type Voortgezet Onderwijs.

Voortgezet Onderwijs

Leerlingen, die reeds op een bepaald type Voortgezet Onderwijs zitten, kunnen al snel, of gaandeweg, in de brugklas tot de ontdekking komen, dat het huidige schooltype te laag/te hoog gegrepen is, dan wel dat het niet voldoende aansluit bij hun wensen en behoeften.
In samenspraak met de ouders en de school/leerkrachten kan worden besloten om een schoolkeuze-onderzoek en eventueel een beroepskeuze-onderzoek te laten doen, om een antwoord te krijgen op de vraag “welke leerweg – ook wel ‘profiel’ genoemd – is voor deze leerling het meest geschikt, gegeven zijn/haar (beroeps)wensen, leercapaciteiten, werkhouding, sociaal-emotioneel functioneren e.d.?”

Voor het beroepskeuze-onderzoek maakt Edumax gebruik van gesprekken en schriftelijke beroepskeuzetesten. Zie voor meer informatie onze pagina over Beroepskeuze.

Schoolkeuze-onderzoek wordt door Edumax uitgevoerd met de Nederlandse Intelligentietest voor Onderwijsniveau (NIO) en een korte psychologische test.

LET OP: indien bij een kind eerder de NIO is afgenomen, is het niet toegestaan om de NIO opnieuw af te nemen, wanneer de periode tussen de vorige afname en de nieuwe afname korter dan één jaar is!
Mocht dat het geval zijn, dan hebben wij nog twee mogelijkheden voor een schoolkeuze-onderzoek, namelijk:

  1. WISC-III intelligentietest, inclusief kort psychologisch onderzoek.
  2. Drempelonderzoek, inclusief kort psychologisch onderzoek.

De NIO is de “opvolger” van de lang gebruikte GIVO-test (Groninger Intelligentietest voor VO en groep 8 BasisOnderwijs) en wordt algemeen geaccepteerd binnen het Voortgezet Onderwijs (en BasisOnderwijs) als een betrouwbare indicator voor een gedegen schooladvies.

 

 

nio

 

De NIO dient voor advies, verwijzing en selectie van leerlingen, die:

  • in Groep 8 van het BasisOnderwijs een schoolkeuze voor Voortgezet Onderwijs moeten maken;
  • in het Speciaal (Basis)Onderwijs een schoolkeuze VO moeten maken;
  • in de eerste drie jaren van het Voortgezet Onderwijs willen/moeten “switchen” naar een ander/hoger/lager schooltype in het VO.

Na afname van de NIO kan worden vastgesteld:

  1. Hoe hoog de leerling scoort op de verbale en symbolische intelligentie en wat de totale intelligentie van de leerling is;
  2. Welk schooltype binnen het Voortgezet Onderwijs het meest geschikt is voor het kind/de leerling.
    Onderscheiden worden:

    • Praktijkonderwijs
    • VMBO basisberoepsgerichte leerweg
    • VMBO kaderberoepsgerichte leerweg
    • VMBO gemengde/theoretische leerweg
    • HAVO
    • VWO

Zoals gezegd, wordt voor het schoolkeuze-onderzoek ook gebruik gemaakt van enkele korte psychologische testen en een schoolvragenlijst.  
Mocht namelijk op grond van de NIO-uitslag alsnog twijfel bestaan tussen enkele schooltypes, dan kan het advies beter worden gefundeerd op basis van de resultaten van het psychologisch onderzoek, waarin faalangst, zelfstandigheid, zelfbeeld, concentratie, motivatie e.d. aan de orde komen.
Het kan zijn, dat een kind/jongere wél voldoende verstandelijke capaciteiten heeft voor een bepaalde vorm van voortgezet onderwijs, maar totaal niet gemotiveerd is, te onzelfstandig is e.d., om die vorm van onderwijs te volgen! We zeggen dan, dat het cognitieve profiel van de jongere niet overeenkomt met zijn/haar leerlingprofiel.

In welke gevallen wordt zoal een schoolkeuze-onderzoek en eventueel aanvullend onderzoek (beroepskeuze, werkhouding, sociaal-emotioneel etc.) aangevraagd bij Edumax?

  • Op de school van het kind/de leerling wordt geen schoolkeuze-onderzoek verricht, d.w.z. noch een CITO-Eindtoets Groep 8, noch een door externe deskundigen uit te voeren schoolkeuze-onderzoek, zoals de NIO.
  • Het kind/de leerling heeft door omstandigheden (afwezigheid, ziekte  e.d.) niet deel kunnen nemen aan de CITO-Eindtoets Groep 8, of een ander schoolkeuze-onderzoek.
  • De school heeft weliswaar de beschikking over alle rapportcijfers en de uitslag van de CITO-Eindtoets van de leerling, maar er bestaan desondanks nog ernstige twijfels over het af te geven schooladvies.
  • Het kind/de leerling en de ouders/verzorgers verschillen met de school/leerkracht van mening over het uitgebrachte schooladvies, dat gestoeld is op het oordeel van de school/leerkracht én de uitslag op de CITO-Eindtoets. De ouders willen daarom een “second opinion” hebben en vragen Edumax om de NIO af te nemen.
  • De ouders/verzorgers zijn het niet eens met het schooladvies, dat in het Voortgezet Onderwijs wordt gegeven voor de leerling, om naar een “hoger of lager schooltype” te switchen.

Heeft u vragen over schoolkeuze- of beroepskeuze-advies en de mogelijkheden voor nader onderzoek, neemt u dan vrijblijvend contact op met Edumax!

Lees hier de NIO-brochure

NIO klassikaal of in groep afnemen: NIET DOEN!

De NIO is de Nederlandse Intelligentietest voor Onderwijsniveau. De naam zegt al genoeg: uit de resultaten, die een kind/leerling scoort op de NIO-subtesten komt niet alleen een schoolkeuze-advies voort, maar er rolt óók een Totaal IQ, een Verbaal IQ en een Symbolisch IQ uit!
Die IQ-scores kunnen bij de verdere (school-)loopbaan van belang zijn en uw kind dus blijven “achtervolgen” gedurende een langere tijd. De gevolgen daarvan worden vaak onderschat!

Een IQ-test (dus óók de NIO) dient individueel te worden afgenomen en niet in klas- of groepsverband!

  • De NIO wordt vaak om commerciële redenen afgenomen in groepsverband, omdat dat:
    • de school het minste kost (het gaat immers om “massa-afname/-productie”);
    • voor bepaalde instellingen, die de testen afnemen, lucratief is.

    Uw kind kan hiervan de dupe zijn!

  • De NIO wordt vaak afgenomen door testassistenten/-leiders, die binnen een groep/klas onmogelijk kunnen controleren of IEDERE leerling de bedoeling en aanpak van elke subtest begrepen heeft, terwijl dat een belangrijke voorwaarde is voor testen als de NIO.
    Instructie en controle of de instructie begrepen is, dient individueel plaats te vinden! 
  • Leerlingen zullen bovendien uit schaamte t.o.v. andere leerlingen in de groep niet aangeven (zeker niet bij herhaling!), dat ze de bedoeling/aanpak van een bepaalde subtest niet hebben begrepen; ze willen niet “dom”gevonden worden door anderen. Met alle gevolgen vandien.
  • In een groep kunnen leerlingen sneller afgeleid worden door anderen, maar ook zenuwachtiger, faalangstiger e.d. worden/zijn, waardoor ze bijvoorbeeld onnauwkeurig, te snel en onder hun optimale presteren te werk gaan.
  • Kinderen meten zich in een groep vaak met/aan hun medeleerlingen en ze willen dan net zo snel klaar zijn met de subtesten, als de ander(en). Dat kan een negatieve invloed hebben op hun NIO-resultaat.
  • We zagen hierboven, dat uit de NIO een Totaal IQ, een Verbaal IQ (o.a. woordenschat en met woorden kunnen redeneren) en een Symbolisch IQ (rekenen en ruimtelijk inzicht) voortkomt. Vaak wordt bij het geven van een schoolkeuze-advies alléén gekeken naar het totale IQ (zeg maar “het gemiddelde”). Dat is een slechte zaak!
    Bij een scheef/disharmonisch profiel (Verbaal IQ verschilt sterk van het Symbolisch IQ: we spreken van een “kloof” tussen de twee) dient een goede analyse plaats te vinden door een deskundige. Gebeurt dat niet, dan is er een grote kans, dat de leerling op basis van de NIO een verkeerd schooladvies krijgt.

    Uitleg:
    In vergelijking met andere intelligentietests (zoals: WISC-III, SON-R en RAKIT) is de NIO een betere voorspeller voor hoe een leerling enerzijds op taalvakken zal gaan presteren en anderzijds op de betavakken (de rekenvakken) zal gaan scoren.

    Veronderstel het volgende: een leerling behaalt op de NIO een Totaal IQ van 105; een Verbaal IQ van 118 en een Symbolisch IQ van 92. We zien hier een verschil/kloof tussen Verbaal en Symbolisch van 26 IQ-punten en spreken daarom van een disharmonisch intelligentieprofiel. Volgens de NIO zou deze leerling naar het HAVO kunnen. Op Verbaal niveau kan deze leerling inderdaad ruim HAVO aan (zelfs VWO!), maar op Symbolisch niveau scoort dezelfde leerling slechts tussen de schoolniveaus VMBO-BBL en VMBO-KBL! Het moge duidelijk zijn, dat deze leerling op HAVO-niveau zeer waarschijnlijk heel veel problemen gaat krijgen met vakken als wiskunde, economie, natuurkunde, scheikunde  e.d. Conclusie: het HAVO-niveau is te hoog gegrepen.
    Het intepreteren van de NIO-resultaten is dus (individueel) maatwerk!!

Klassikale/groepsgewijze afname van de CITO-Eindtoets groep 8 brengt minder nadelen met zich mee, dan klassikale/groepsgewijze afname van de NIO.
Een wezenlijk verschil tussen CITO-Eindtoets Groep 8 en NIO is, dat bij de CITO bekend mag worden verondersteld, wat de diverse taken en opdrachten van de CITO-Eindtoets groep 8 inhouden: de leerlingen hebben immers gedurende het doorlopen van het Basis-Onderwijs geleerd, hoe ze die taken/opdrachten moeten aanpakken. De instructie is bij de CITO-Eindtoets Groep 8 dus nauwelijks van belang.
Dat is bij de NIO NIET het geval!

De gewaardeerde collega Dr. P. Tellegen (de “ontwerper van de NIO”) meldt: de CITO-Eindtoets groep 8 meet de feitelijke schoolprestaties en aangeleerde kennis, terwijl de NIO vooral betrekking heeft op de mogelijke leerprestaties en het inzicht!
Anders gezegd: de CITO-Eindtoets Groep 8 meet de door de leerling tijdens het Basisonderwijs opgedane kennis en de toepassing van die kennis (huidig schoolprestatieniveau).
De NIO meet ook wel in bepaalde mate de opgedane kennis en toepassing daarvan (basisvaardigheden rekenen, woordenschat e.d.), maar de NIO meet óók de zogenaamde intellectuele en cognitieve capaciteiten van een kind: wat zijn de capaciteiten van het kind voor wat betreft het algemeen inzicht, het opnemen-koppelen-toepassen van kennis, het abstract denken/abstraheren, het leggen van verbanden en het transformeren (‘doortrekken’) van die verbanden, het flexibel kunnen omgaan met taal, met getallen, met ruimtelijk inzicht en dergelijke.
Het gaat bij de NIO om het meten van de leerpotentie/het leervermogen/de leer- en denkcapaciteiten.

De geheugentesten e.d. die óók vaak tezamen met de NIO worden afgenomen, biedt men bij klassikale afname niet op de vereiste/gestandaardiseerde manier aan. Zo worden bij geheugentesten woorden opgelezen door de testleider en moeten de leerlingen vervolgens de door hen onthouden woorden opschrijven.
Volgens de eisen van dit soort testen dienen die echter individueel te worden afgenomen en moet de leerling de woorden te horen krijgen vanaf een band of cd; vervolgens moet de leerling de door hem onthouden woorden meteen opzeggen tegen de testleider. Als bij afname in een groep/klas de woorden opgeschreven moeten worden, kunnen leerlingen door spanning, faalangst, haast etc. woorden vergeten, omdat ze bang zijn, dat ze ze niet allemaal snel genoeg op kunnen schrijven.
Net als bij de NIO, kunnen óók bij geheugentesten afleiding/storing e.d. binnen de groep leiden tot een sterk vertekend resultaat. 
Dus ook hier: individuele afname!

Bij individuele afname bent u ervan verzekerd, dat het maximale/optimale “uit uw kind wordt gehaald”, omdat:

  • het kind dan volgens de vereiste wijze wordt getest;
  • er geen andere storende factoren zijn (omgeving, medeleerlingen etc.);
  • het kind bij 1-op-1 afname zoveel mogelijk gerust kan worden gesteld.
  • Last but not least dienen, zoals gezegd, de scores op de NIO door een deskundige (en NIET door een computer!) te worden geanalyseerd om te komen tot een goed gefundeerd schooladvies!

De NIO is óók inzetbaar als instrument voor schoolkeuze in Groep 7 van het Basisonderwijs én, zoals gezegd,  in de eerste leerjaren van het Voortgezet Onderwijs.

» Klik hier om in te klappen