Autisme

 
WAT WIJ DOEN VOOR KINDEREN, JONGEREN EN VOLWASSENEN:

  • Onderzoek naar en diagnostiek van Autisme(-SpectrumStoornis).
  • Behandeling/therapie bij een AutismeSpectrumStoornis. 
  • Behandeling/therapie bij klachten, die te maken hebben met sociale communicatie en interactie en/of met zich herhalende gedragspatronen, interesses of activiteiten. De hier bedoelde klachten zijn niet dermate ernstig, dat sprake is van een AutismeSpectrumStoornis, maar ze kunnen wél een negatieve invloed hebben op het algemeen dagelijks functioneren.
  • Second opinion, wanneer u het niet eens bent met een (eerdere) diagnose Autisme(-SpectrumStoornis), of een behandeling van Autisme. 

Wat is een autisme(-spectrumstoornis)?
Een stoornis, die wordt gekenmerkt door een beperking in de sociale communicatie en door een beperkt, zich herhalend, gedrag.

Met de komst in 2014 van het nieuwe uit het Engels vertaalde psychiatrische handboek “DSM-5″(Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) is de onderverdeling van de autistische stoornis in vijf stoornissen los gelaten. In de vorige versie van het psychiatrische handboek (DSM-IV) vielen vijf stoornissen onder autisme: (klassiek) autisme, de stoornis van Asperger, het syndroom van Rett, de desintegratieve stoornis en PDD-NOS.
Vanaf 1 januari 2017 mag die onderverdeling niet meer worden gebruikt bij de diagnosestelling. In plaats daarvan moet de in de DSM-5 genoemde verzamelterm “AutismeSpectrumStoornis” (ASS) met bovenstaande definitie worden gehanteerd.

De AutismeSpectrumStoornis is (binnen de DSM-5) een zogenaamde ‘neurobiologische ontwikkelingsstoornis’: de stoornis heeft te maken met de werking van het zenuwstelsel en manifesteert zich gedurende de ontwikkeling van het individu, maar meestal al op zeer jonge leeftijd.

Kenmerken van een AutismeSpectrumStoornis zijn met name:

  • Voortdurende tekorten in de sociale communicatie en de sociale interactie in allerlei situaties:
    problemen met de sociaal-emotionele wederkerigheid:
    – op een “rare/aparte” manier sociaal contact maken;
    – moeite met het delen van interesses en emoties;
    – het lastig vinden om gesprekken met anderen te beginnen of om op die gesprekken te reageren;
    – niet of nauwelijks in staat zijn om non-verbaal gedrag tijdens gesprekken met anderen te gebruiken of te interpreteren;
    – slecht afgestemde (lees: niet bij elkaar passende) verbale en non-verbale communicatie;
    – afwijkend gedrag bij oogcontact (bv. niet de ander aankijken tijdens praten of luisteren);
    – moeite hebben om lichaamstaal en gebaren te gebruiken of te begrijpen;
    – weinig tot geen gezichtsuitdrukkingen hebben en geen non-verbale communicatie kunnen hanteren.
    – nauwelijks of niet in staat zijn om relaties, vriendschappen e.d. met anderen te ontwikkelen, te onderhouden of te begrijpen;
    – moeite om het gedrag aan te passen aan uiteenlopende sociale situaties;
    – weinig tot geen fantasiespel;
    – niet of nauwelijks belangstelling hebben voor leeftijdgenoten.
  • Beperkte en zich herhalende gedragspatronen, interesses of activiteiten:
    – stereotype of zich herhalende motorische bewegingen (bv. wiegen, fladderen)
    – stereotiep gebruik van spraak ( bv. echolalie = het nazeggen of het herhalen van eigen of andermans woorden/zinnen;
    – een woordkeuze of woordvolgorde gebruiken, die de ander niet verwacht = idiosyncratisch spreken;
    – oubollig en/of formeel taalgebruik);
    – voorwerpen/objecten steeds terug in een rij zetten of objecten steeds ronddraaien;
    – hardnekkig vasthouden aan hetzelfde patroon;
    – strikt gehecht zijn aan routines of (aan-)geleerde patronen van verbaal of non – verbaal gedrag;
    – ernstig overstuur raken bij kleine veranderingen;
    – moeite met overgangen van de ene naar de andere situatie;
    – rigide denken (zwart – wit denken);
    – de drang om elke dag hetzelfde te eten of steeds dezelfde route te nemen naar een bestemming;
    – zeer beperkte interesses die abnormaal intens en gefixeerd zijn, bijvoorbeeld een sterke hechting aan en interesse in specifieke, ongebruikelijke objecten;
    – bovenmatig of juist niet reageren op zintuiglijke prikkels, bv. ongevoeligheid voor pijn of temperatuur;
    – afkeer van bepaalde geluiden;
    – abnormale belangstelling voor omgevingsobjecten die de zintuigen kunnen prikkelen, bv. voortdurend en intens ruiken aan voorwerpen;
    – voortdurend voorwerpen aanraken;
    – gefascineerd zijn door licht of beweging.

aut1

aut2

Deze pagina wordt continu bijgewerkt/geupdatet.