Vaak gestelde vragen

Vragen over RT, behandeling en onderzoek bij Edumax:
Tarieven.
Onderzoek onder schooltijd.
RT onder schooltijd.
Tijdsduur per sessie.
Afspraken en afzeggen.
Privacy gegevens en rapportages.
Hoelang duurt een RT-traject?
RT en onderzoek voor Vlaamse kinderen.

Vragen over schooltesten en cito-toetsen :
Wat is een LeerlingVolgSysteem?
Wat is een Didactische Leeftijd (DL)?
Wat is een Didactisch LeeftijdsEquivalent(DLE)?
Wat wordt bedoeld met het leerrendement?
Wat betekenen de CITO A/B/C/D/E-niveaus en I/II/III/IV/V?
Wat is een percentielscore?
Wat is een stanineschaal?

Het Speciaal (Basis)Onderwijs:
Welke scholen kennen we binnen het Speciaal (Basis)Onderwijs?

Het Voortgezet Onderwijs:
Welke vormen van Voortgezet Onderwijs zijn er?
Welke scores op de CITO-Eindtoets Groep 8 passen bij welk Voortgezet Onderwijs?
Is er een verband tussen het IQ en een bepaalde vorm van Voortgezet Onderwijs?

Taal, Lezen en Rekenen:

Welke testen zijn er in het onderwijs voor Technisch Lezen?

In welke groep van het Basisonderwijs wordt welk AVI-niveau beheerst?
Verschillen in taal- en rekenvaardigheden tussen jongens en meisjes?

Wat is het gevolg van een taalachterstand?
Wat kun je doen aan ernstige reken-/wiskundeproblemen?

Intelligentie en intelligentietesten:
Wat meten intelligentietesten eigenlijk?
Worden mensen steeds intelligenter?
Wanneer is iemand hoogbegaafd, gemiddeld intelligent e.d.?
Kan je aanvankelijk normaal-gemiddelde IQ 'weg zakken'?
Kun je het intelligentieniveau van iemand beïnvloeden?
Wat zijn de gevolgen van een disharmonisch intelligentieprofiel op schaalniveau ?

 

 

RT en onderzoek bij Edumax:


Wat zijn de tarieven voor de verschillende activiteiten/diensten bij Edumax?
Edumax hanteert verschillende tarieven. Het tarief is onder andere afhankelijk van uw
hulpvraag/vraagstelling(en). Neemt u hierover telefonisch contact op met Edumax.

Voor behandeling kunnen wij u vaste tarieven verstrekken.

Bij onderzoek ligt dit anders: het is afhankelijk van uw hulpvraag (wat wilt u
 precies weten en onderzocht hebben?) , hoeveel een onderzoek gaat kosten
.
Er is hier sprake van maatwerk!
      
Voor bepaalde onderzoeken (bijvoorbeeld Intelligentie-onderzoek, NIO-toets +
 Psychologisch onderzoek) hanteren wij vaste tarieven, omdat wij precies weten,
 hoeveel tijd die in beslag nemen.

Als wij u een prijs afgeven voor een totaal onderzoek, zijn in die prijs begrepen:
het intake-gesprek, het feitelijke onderzoek (gesprekken, observaties, vragenlijsten,
testen e.d.), de scoring en verwerking van de testen, gesprekken e.d., de rapportage
en het eindgesprek.

    
In sommige gevallen is vergoede behandeling mogelijk. U moet daarbij met name
denken aan problemen, die onder de noemer 'begeleiding', of ''psychologische zorg'
vallen (raadpleeg ook onze andere website www.psymax.nl):

1. Indien u beschikt over een PersoonsGebonden Budget (PGB), kan behandeling,
    c.q. begeleiding, daaruit worden bekostigd.
2. Binnenkort kunt u bij ons ook terecht voor behandeling, welke vergoed wordt
    vanuit de basis ziekteverzekering en eventuele aanvullende ziekteverzekering.
    Binnen de basisverzekering worden vijf sessies vergoed; per sessie geldt een
    eigen bijdrage van 20 Euro per 1 januari 2012.
    Indien u aanvullend verzekerd bent, kan de eigen bijdrage vervallen en kunnen
    meerdere sessies vergoed worden. Kijkt u hiervoor uw ziekteverzekeringsvoor-
    voorwaarden na onder het kopje 'psychologische zorg, verleend door een GZ -     psycholoog'.

Het intake-gesprek (bedoeld ter kennismaking, informatie en oriëntatie) is kosteloos,
tenzij er binnen één maand na het gesprek geen onderzoek of behandeling volgt: in
dat geval wordt het intakegesprek als een adviesgesprek beschouwd en zijn de kosten
€ 65,00. Dit bedrag moet betaald zijn binnen één week na het gesprek. Bij niet tijdige
betaling worden de intake-uren tegen het normale uutarief gefactureerd.
                                                     naar boven

                                             
Kan mijn kind onder schooltijd komen voor onderzoek?
Ja, dat moet zelfs!  Een onderzoek neemt namelijk minimaal een halve dag in beslag,  
maar het kan ook 3 dagdelen (anderhalve dag) duren!
                                                     naar boven


Kan mijn kind onder schooltijd komen voor Remedial Teaching (R.T.)?
Ja, dat kan in bepaalde gevallen.  Met name voor jonge kinderen (tot een jaar of 10) 
vinden wij het beter als ze onder schooltijd komen, omdat ze anders te zwaar belast
worden en zich onvoldoende kunnen motiveren voor, en concentreren op, de Remedial
Teaching.
Als kinderen onder schooltijd komen, worden er duidelijke afspraken gemaakt met de
school en de groepsleerkracht over het lesuur en het vak, dat verzuimd kan worden.
Uitgangspunt bij R.T. onder schooltijd is, dat zowel de school als het kind zo weinig
mogelijk last moeten ondervinden van de externe R.T.
Indien het kind onder schooltijd komt, dienen de ouders ervoor te zorgen, dat het kind
gehaald en gebracht wordt.  Het kind mag onder schooltijd niet alleen naar de praktijk
komen, of naar school terug gaan!
                                                      naar boven


Hoe lang duurt elke sessie voor behandeling/Remedial Teaching?
Drie kwartier effectief. Een langere tijdsduur per behandeling is ook mogelijk.
                                                      naar boven


Wat, als u een afspraak afzegt, of als u, of uw kind, zonder afmelding niet op de
afgesproken tijd komt?

U zult begrijpen, dat wij voor een intakegesprek, voor een behandeling en voor onderzoek
tijd reserveren.
Indien u, of uw kind, niet op een afspraak kunt/kan komen, moet u dat 24 uur van tevoren
melden, hetzij telefonisch (tel. 0161 454130), hetzij per mail (info@edumax.nl).
Als u, of uw kind, zich niet tijdig afmeldt, worden de kosten van de gereserveerde
tijd in rekening gebracht.
                                                      naar boven
  

Wat gebeurt er met de onderzoeksgegevens en de rapportage?
De enige persoon/personen, die recht heeft/hebben op de onderzoeksgegevens en de
rapportage, is/zijn de opdrachtgegever(s). Wij hebben de plicht tot geheimhouding.
Wanneer een school, (geestelijke gezondheids-)instelling, of anderen, vragen stelt/stellen
over een onderzoek en/of een rapportage/onderzoeksresultaat, dan zullen wij nooit gegevens verstrekken, als de ouder(s) de opdrachtgever(s) is/zijn. Andersom geldt dit ook, als een
school of instelling de opdrachtgever is.
Verstrekking van gegevens aan derden is alléén mogelijk, indien de opdrachtgever
daarmee uitdrukkelijk (liefst schriftelijk) akkoord gaat!

Alle onderzoeksgegevens, rapportages, verklaringen e.d. slaan wij op in ons archief.
Daartoe zijn wij wettelijk verplicht.

                                                      naar boven


Mijn kind heeft dyslexie/dyscalculie/een ander leerprobleem/een aandachts - probleem/gedragsprobleem/een sociaal-emotioneel probleem.
Hoe lang gaat de totale behandeling/R.T. duren?

Helaas is het niet mogelijk om een vaste behandelperiode te noemen. Sommige kinderen
hebben genoeg aan enkele maanden of een half jaar, maar vaak duurt de behandeling veel
langer, soms zelfs jaren.
Vragen, die hierbij een rol spelen, zijn onder andere:
     - Is het kind gemotiveerd?
     - Kan het kind zich goed concentreren?
     - Hoe ernstig is het leerprobleem/aandachtsprobleem/gedragsprobleem/sociaal-
       emotioneel probleem?
     - Is er sprake van meerdere leerproblemen en/of gedragsproblemen en/of sociaal -
       emotionele problemen ? Doen zich bijvoorbeeld ook problemen voor op het gebied
       van faalangst, onzekerheid,  minderwaardigheidsgevoelens en dergelijke?
     - Neemt het kind het geleerde en geoefende tijdens de behandeling/R.T. snel en juist op?
     - Als het kind eenmaal op het juiste niveau is gekomen, kan het dan "op eigen kracht"
        het niveau en tempo van de leerstof/ het vak "bijhouden" op school?
                                                    naar boven
 

Wij wonen in Vlaanderen/België.  Kan een kind/leerling uit Vlaanderen ook
bij Edumax terecht voor leerproblemen?

Ja, Vlaamse kinderen worden bij Edumax óók onderzocht en behandeld.
Wij zijn goed op de hoogte van het Belgische onderwijssysteem. 
                                                    naar boven

 

Schooltesten en CITO - toetsen


Wat is een LeerlingVolgSysteem?
V
anaf het moment, dat een kind de Basisschool "binnen komt", worden zijn/haar leerprestaties
gevolgd met behulp van het LeerlingVolgSysteem.

E
en leerlingvolgsysteem (LVS) wordt tegenwoordig ook wel genoemd: het Leerling- en OnderwijsVolgSysteem (LOVS).
Het bestaat uit een heleboel toetsen, die niet aan een bepaalde methode gebonden zijn en die
goed genormeerd zijn (over de resultaten bestaan landelijke afspraken).
Voor iedere leerling worden gedurende zijn gehele Basisschoolperiode de afgenomen toetsen
en de bijbehorende resultaten opgeslagen op een computer.
Op het L(O)VS staan toetsresultaten vermeld voor vakken als: functieontwikkeling (motoriek, reken- en taalvoorwaarden), technisch en begrijpend lezen, rekenen en hoofdrekenen, spellen, etcetera.
De toetsresultaten worden uitgedrukt in Citoniveaus, Percentielen en/of DLE's (zie onder)..

                                                    naar boven


Wat is een Didactische Leeftijd (DL)?
De Didactische Leeftijd (DL) is het aantal maanden, dat een kind/leerling onderwijs
heeft gevolgd vanaf Groep 3. Ieder schooljaar heeft bij deze telling 10 maanden en
het schooljaar begint in september en loopt tot juli.
Voorbeelden:
* Een kind, dat over gaat van Groep 3 naar Groep 4 heeft een DL van 10.
* Een kind, dat in januari in Groep 6 zit (en nooit is blijven zitten), heeft een DL van
   Groep 3 (10 maanden) + Groep 4 (10 maanden) + Groep 5 (10 maanden) + 4 hele
   maanden in Groep 6. De DL is dus 10 + 10 + 10 + 4 = 34 maanden.
* Een kind, dat net klaar is met de Basisschool, heeft een DL van 60 (mits het niet is
   blijven zitten).
* Een kind Eind Groep 7, dat is gedoubleerd in Groep 5, heeft een DL van
   50 + 10 (vanwege het zittenblijven = hele jaar = 10 maanden over doen) = 60.
                                                    naar boven
   

Wat is een Didactisch LeeftijdsEquivalent(DLE)?
De Didactische LeeftijdsEquivalent (DLE) is het niveau, waarop een gemiddelde
leerling dezelfde score haalt, als de leerling, die getest wordt. Het niveau wordt
dan uitgedrukt in het aantal maanden onderwijs.

Voorbeeld: een leerling met een didactische leeftijd van 45 (test afgenomen in Februari
Groep 7, dus DL = 45) scoort 33 op de test. De testscore 33 blijkt gemiddeld te worden
gehaald door een leerling met een DL van 20; oftewel: een leerling van Eind Groep 4 haalt
óók die score van 33 op dezelfde test.
We zeggen nu: de leerling met een DL van 45 behaalt een DLE van 20.

Nu we van de geteste leerling zowel zijn DL, als zijn DLE weten, kunnen we kijken, of er
sprake is van een leerachterstand, of een leervoorsprong. In ons geval heeft de leerling een
DL van 45 en een DLE van 20. Dit betekent, dat deze leerling op de afgenomen test
DLE - DL = 20 - 45 = -25 maanden behaalt en dat houdt in, dat de leerling voor deze
test een achterstand heeft van 25 schoolmaanden. Deze leerling loopt dus twee en een
half schooljaren achter.

Algemeen geldt, als:
. de DL en de DLE (bijna) even groot zijn: de leerling ligt op niveau.
. de DL groter is dan de DLE: de leerling heeft een achterstand.
. de DL kleiner is dan de DLE: de leerling heeft een voorsprong.
                                                    naar boven
    

Wat wordt bedoeld met het leerrendement?
Met het leerrendement drukken we in procenten uit, wat het leerproces bij de
leerling aan resultaat heeft opgeleverd. De formule, die we daarvoor gebruiken,
is : DLE/DL x 100%.

Een leerling met een DL van 45 en een DLE van 20 heeft dus een leerrendement
van 20/45 x 100% = 44 %.
Hier geldt logischerwijs: een score van 100% betekent "op niveau"; een score kleiner
dan 100% is een achterstand en een score groter dan 100% is een voorsprong.
                                                    naar boven


Wat betekenen de CITO A/B/C/D/E-niveaus en I/II/III/IV/V?
Het CITO ( Centraal Instituut voor ToetsOntwikkeling) te Arnhem ontwikkelt toetsen en
examens voor alle vormen van onderwijs.
Binnen de Basisschool (maar ook binnen hogere vormen van onderwijs) drukt het CITO
de resultaten op een toets uit door middel van een zogenaamde vijfpuntsschaal, die we ook
wel de ABCDE-schaal noemen. Iedere letter geeft een bepaald resultaat aan, waarbij geldt,
dat A het hoogste niveau is en E het laagste niveau.

De verschillende niveaus hebben de volgende kwalificaties en percentielen (zie onder):
Niveau A: goed tot zeer goed (beste 25%); percentiel 76*
Niveau B: gemiddeld tot goed (volgende 25%); percentiel 51 t/m 75.
Niveau C: zwak tot gemiddeld (volgende 25%); percentiel 26 t/m 50.
Niveau D: zwak (volgende 15%); percentiel 11 t/m 25.
Niveau E: zeer zwak (laagste 10%); percentiel 0 t/m 10.
Bij leerstoornissen geldt het E-criterum: voor dyslexie betekent dit, dat een kind moet
behoren tot de 10% zwakste leerlingen op het gebied van technisch lezen en/of spelling;
voor dyscalculie houdt het in, dat een kind gemiddeld een E-niveau moet scoren op
rekentoetsen (dus behoort tot de 10% zwakste leerlingen voor wat betreft het rekenen).

De niveaus A tot en met E zijn niet gelijkmatig verdeeld: 25% (A) - 25% (B) - 25% (C) -
15% (D) -10% (E)
.
Bij de meer recente toetsen past het CITO een nieuwe normering toe. Deze nieuwe/
andere normering in de vorm van de Romeinse cijfers I tot en met V laat wél een gelijk -
matige verdeling over de niveaus zien (namelijk 20% per niveau):
Niveau I   : goed  (beste 20%); percentiel 81 t/m 100.                              
Niveau II  : ruim voldoende (beste 40%); percentiel 61 t/m 80.
Niveau III : voldoende ('beste' 60%); percentiel 41 t/m 60.
Niveau IV : onvoldoende (zwakste 40%); percentiel 21 t/m 40.
Niveau V  : zwak (zwakste 20%); percentiel 0 t/m 20.

* Percentiel 76 betekent: 76 % van de leerlingen scoort hetzelfde, of lager. Zie ook de uitleg bij
                                             de vraag "Wat is een percentielscore?"


                                                   naar boven


Wat is een percentielscore?
De percentielscore zien we vaak bij toetsuitslagen, bijvoorbeeld bij de CITO -
Eindtoets Groep 8. De percentielscore is een bij een toetsscore behorend getal,
dat aangeeft, hoeveel procent van de kinderen/leerlingen de genoemde toetsscore,
of een lagere score, heeft behaald.
Kijkt u eens naar onderstaande afbeelding (bron: CITO):


We zien, dat deze leerling een Percentielscore heeft van 49 voor taal. Dit betekent, dat 49%
van de leerlingen eenzelfde score (van 75 opgaven goed) of lager heeft behaald; 51% van de leerlingen heeft méér dan 75 opgaven goed en heeft dus een betere score gehaald.

De standaardscore (minimaal 501 en maximaal 550) is in dit geval 536.
Zoeken we nu naar het onderwijstype, waar deze leerling tot 'de gemiddelde leerling' behoort
(het 50%-niveau), dan zien we, dat deze leerling het best past op één van de brugklastypen
gemengd theretische leerweg en havo (maar 33 % scoort hoger) en gemengd theoretische
leerweg en havo/vwo (59 % scoort hoger).


                                                 naar boven


Wat is een stanineschaal?
Soms worden testresultaten niet uitgedrukt in Cito-niveaus, percentielscores of DLE's, maar in
stanines. Een stanineschaal is een negenpuntsschaal, die loopt van de cijfers 1 t/m 9.
De betekenis van elk cijfer kan per test verschillen, maar grofweg is de indeling als volgt:
1 = zeer laag
2 = laag
3 = tamelijk laag
4 = laag gemiddeld
5 = gemiddeld
6 = hoog gemiddeld
7 = tamelijk hoog
8 = hoog
9 = zeer hoog.

                                                 naar boven
     

 

Het Speciaal (Basis)Onderwijs

Welke scholen kennen we binnen het Speciaal BasisOnderwijs?
In het Speciaal Onderwijs spreken we van "Cluster-scholen."
Ieder cluster heeft zijn eigen doelgroepen:

Cluster 1:
- scholen voor kinderen, die blind of slechtziend zijn.
- scholen voor meervoudig gehandicapte blinde, of slechtziende kinderen.

Cluster 2:
- scholen voor dove kinderen.
- scholen voor slechthorende kinderen (SH).
- scholen voor meervoudig gehandicapte dove of slechthorende kinderen.
- scholen voor kinderen met ernstige spraak-/taal-moeilijkheden (ESM).

Cluster 3:
- scholen voor zeer moeilijk lerende kinderen (ZML).
- scholen voor meervoudig gehandicapte kinderen (Tyltyl).
- scholen voor lichamelijk gehandicapte kinderen (Mytyl).
- scholen voor langdurig zieke kinderen met somatische problematiek (LZ).

Cluster 4:
- scholen voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK).
- scholen voor langdurig zieke kinderen met een psychiatrische problematiek (LZ).
- scholen verbonden aan een Pedologisch Instituut (PI).
  
Een pedologisch instituut verricht onderzoek naar kinderen met complexe
   leerproblemen, gedragsproblemen of emotionele problemen.

Ook ná het Speciaal BasisOnderwijs kan men onderwijs blijven volgen op het
niveau van het Voortgezet Onderwijs. Dat gebeurt in het Voortgezet Speciaal
Onderwijs (VSO). Het VSO kan gevolgd worden tot de leerling 20 jaar is.
Voor zowel SBO als VSO is een indicatie nodig.

                                                         naar boven

 

 

Het Voortgezet Onderwijs

Welke vormen van Voortgezet Onderwijs zijn er?
In het Voortgezet Onderwijs kennen we de volgende schooltypen:
1. Praktijkonderwijs
2. VMBO - BasisBeroepsgerichte Leerweg (VMBO-BBL)
3. VMBO - KaderBeroepsgerichte Leerweg (VMBO-KBL)
4. VMBO - Theoretisch gerichte Leerweg (VMBO-TL)
5. HAVO
6. VWO

Bovenstaande indeling is tamelijk algemeen, omdat we nog allerlei tussen- en nevenvormen
kunnen onderscheiden.
Hoe hoger we komen in de opsomming (gaande van praktijkonderwijs naar VWO), hoe:
- minder praktisch het onderwijs is;
- moeilijker en abstracter de leerstof is;
- meer een beroep wordt gedaan op de studiediscipline, de zelfstandigheid, de motivatie e.d.
  van de leerling.

In onderstaand schema ziet u de positie, die het Voortgezet Onderwijs inneemt binnen het
totale Nederlandse Onderwijssysteem én de doorstroommogelijkheden.:

  Een gedetailleerde weergave van het Nederlands Onderwijssysteem vindt u HIER.


                                                           naar boven

 

 


Welke scores op de CITO-Eindtoets Groep 8 passen bij welk Voortgezet Onderwijs?
In onderstaande afbeelding kunt u zien welk schooltype wordt geadviseerd bij een bepaalde (standaard-)score op de CITO-Eindtoets Groep 8:

                                                              naar boven



Is er een verband tussen het IQ en een bepaalde vorm van Voortgezet Onderwijs?
De WISC-III is een intelligentietest, die vaak gebruikt wordt voor kinderen, leerlingen
en jongeren in de leeftijd van 6 tot en met 16 jaar. De test levert een Totaal IQ, een verbaal IQ
en een performaal IQ op.
Simpel gezegd omvat het Verbale IQ (VIQ) de woord- en informatiekennis én het kunnen
redeneren met woorden; bij het Performale IQ (PIQ) gaat het vooral om het practisch en
handelend problemen op kunnen lossen.

In onderstaande tabel ziet u, welk gemiddeld IQ (TIQ, VIQ en PIQ) ongeveer nodig is voor
een bepaalde opleiding (normen WISC-III):

  PraktijkOnd/LWOO VMBO-BBL&KBL
VMBO-TL
HAVO
VWO
VIQ
81
91
97
106
117
PIQ
85
94
100
106
109
TIQ
81
92
98
107
116

                                                              naar boven

 


Taal, Lezen en Rekenen



Welke testen zijn er in het onderwijs voor Technisch Lezen?
Bij het Technisch Lezen gaat het erom, dat een leerling een tekst/woorden op de juiste wijze
leest (verklankt). Moeilijk gezegd: de leerling moet grafemen (letters) en combinaties van
grafemen (woorden) op de juiste wijze omzetten in fonemen (klanken en klankcombinaties).
We noemen dit het decodeerproces. (Bij het spellen (het omzetten van klanken (fonemen)
in letter(combinatie-)s (grafemen) spreken we van het codeerproces)


De meest gangbare testen in het Basisonderwijs om de vaardigheid technisch lezen te meten, zijn:
- AVI-testen: AVI betekent 'Analyse Van Individualiseringsvormen"; bij deze test moet  een
  leerling zo snel en correct mogelijk een tekst lezen. Hoe hoger het AVI-niveau, hoe moeilijker
  de leestekst. Het aantal fouten en de benodigde leestijd bepalen, of de leerling het AVI-niveau
  beheerst, of niet. De uitslag kan zijn: beheersing (mag naar het volgende niveau), voldoende
  (nog even op dit niveau blijven tot beheersing), frustratie (test niet gehaald; kijken, welk lager
  niveau wél beheerst wordt en van daaruit het volgende te beheersen niveau vast stellen )
.
- DMT: Drie-Minuten-Toets, bestaande uit 3 leeskaarten met losse te lezen woorden in
  kolommen, waarbij de DMT-1 het laagste niveau is en de DMT-3 het hoogste. Hoe hoger
  het niveau, des te moeilijker zijn de te lezen woorden. Per kaart zijn de woorden ongeveer
  even moeilijk
. De score wordt per kaart (= niveau) bepaald aan de hand van het aantal correct
  gelezen woorden binnen één minuut.
- EMT: de zogenaamde "Brus-Eén-Minuut-Toets": deze toets bestaat uit één kaart met losse
  woorden in kolommen , waarbij de moeilijkheidsgraad van de te lezen woorden geleidelijk
  oploopt. De score wordt bepaald door het aantal correct gelezen woorden in één minuut.
- De Klepel: deze test wordt vaak gebruikt voor leesonderzoek, als men leesproblemen
  vermoedt. De leerling moet een aantal losse woorden van een kaart oplezen; kenmerkend is,
  dat het hierbij gaat om woorden, die niet echt bestaan: de zogenaamde pseudo - of nonsense-
  woorden. De score op de test wordt bepaald door het aantal goed gelezen (verklankte!)   woorden binnen twee minuten.
  Met deze test kunnen we leerlingen opsporen, die mogelijk dyslectisch zijn. Als we kinderen
  woorden laten lezen, die ze al vaker gelezen ('gezien') hebben, is er vaak sprake van een
  woordbeeld met bijbehorende klanken in het geheugen van het kind: een kind wéét dan bv.
  als het het woord "lepel" ziet, dat daar de klanken "leepul" bij horen.
  Als we echter een kind een niet bestaand woord laten lezen, kan het ook niet de bijbehorende
  klanken uit het geheugen halen.  Zo weet een kind niet van tevoren, hoe je het nonsense-woord
  'laber' verklankt. Dyslectische kinderen vallen dan al snel door de mand; ze lezen bv. 'labber',
  'lader', 'rabel' e.d.

                                                              naar boven      



In welke groep van het Basisonderwijs wordt welk AVI-niveau beheerst?
Grofweg (gemiddeld!) kunnen we het volgende stellen:
Beheersing AVI 1 en 2: vóór Eind Groep 3
Beheersing AVI 3        : Eind Groep 3
Beheersing AVI 4        : Begin/Midden Groep 4
Beheersing AVI 5        : Eind Groep 4
Beheersing AVI 6        : Begin Groep 5
Beheersing AVI 7        : Midden Groep 5
Beheersing AVI 8        : Eind Groep 5
Beheersing AVI 9        : Midden/Eind Groep 6.

Houd er rekening mee, dat dit gemiddelden zijn: sommige kinderen zijn sneller en andere
zijn wat langzamer. Dyslectische kinderen (dyslectisch voor technisch lezen) lopen al snel
flink achter in leesniveau ten opzichte van andere kinderen.

                                                             naar boven                    



Verschillen in taal- en rekenvaardigheden tussen jongens en meisjes?
Vroeger werd vaak gedacht, dat meisjes per definitie beter zijn in taal en jongens beter in
rekenen. Er zijn legio argumenten aan te halen, waarom het bedoelde verschil tussen jongens
en meisjes bestaat, of liever 'kan bestaan.' Vaak hangt het samen met de cultuur, waarbinnen
kinderen opgroeien: meisjes moeten zich netjes gedragen en uitdrukken, terwijl jongens geacht
worden zich als techneut te ontwikkelen (zwart-wit gesteld). Doordat meisjes anders worden
benaderd én gestimuleerd, dan jongens, zullen meisjes (ook al in de voorschoolse periode)
dús meer gericht zijn op de taalvaardigheden en jongens op de rekenvaardigheden.

Vanuit de neuropsychologie (psychologie, die zich bezighoudt met de functies van de hersenen
en de relatie daarvan met het gedrag en het leren) kan worden gesteld, dat vrouwen een sterker
ontwikkelde linkerhersenhelft hebben en daarom een voorsprong hebben in taal. Mannen hebben
een sterker ontwikkelde rechterhersenhelft en daarom een voorsprong met rekenen.
Echter: er zijn veel vrouwen met een rechterhersenhelft, die net zo sterk of zelfs sterker
ontwikkeld is dan die van de gemiddelde man. Die betere ontwikkeling van de rechterhersen -
helft ontstaat dan door veel stimulans vanuit de omgeving en door veel oefenen en bezig zijn met
rekenen(achtige) vaardigheden.

We mogen stellen, dat het verschil in taal- en rekenvaardigheden tussen jongens/mannen en
meisjes/vrouwen voor een groot deel cultureel bepaald is!

                                                             naar boven                              

 


Wat is het gevolg van een taalachterstand?
Een taalachterstand zien we vaak bij kinderen uit achterstandssituaties (thuis wordt niet of
nauwelijks op de taal gelet, of er is sprake van een beperkte woordenschat e.d.) en relatief
vaak bij allochtone kinderen (vooral wanneer thuis geen Nederlands wordt gesproken).
De gevolgen van een taalachterstand zijn desastreus voor een kind. Dat geldt niet alleen voor
de sociaal-emotionele ontwikkeling, maar zeker ook voor de cognitieve ontwikkeling (het leren
opdoen van kennis en practische vaardigheden).

In onze maatschappij wordt bijna alle kennis/informatie overgedragen en uitgewisseld via
gesproken, of geschreven taal. Kinderen, die het Nederlands niet (voldoende) beheersen,
zullen binnen het onderwijs snel een fikse achterstand oplopen door hun taalbarriere.
Het is daarom van groot belang, om de taalachterstand zo snel mogelijk weg te werken
vanaf Groep 1 Basisonderwijs én ouders op het belang te wijzen, om thuis met de kinderen
Nederlands te spreken!
                                                             naar boven                                           

 


Wat kun je doen aan ernstige reken-/wiskundeproblemen?
We moeten ons éérst afvragen, waarom zoveel kinderen en pubers moeite hebben met rekenen
en wiskunde.

Allerleerst is er vaak sprake van "rekenangst"
: dit is een vorm van faalangst, die ontstaat,
wanneer kinderen/pubers cijfers, getallen e.d. zien, waar 'iets mee gedaan moet worden.'
Zolang ze een bepaalde opgave zien 'van hetzelfde type', als opgaven, die ze kennen, is de angst
nog beheersbaar, maar als een som anders is, dan zoals ze hem 'geleerd' hebben, slaat de paniek
toe. In de vorige zin hebben we het woord 'geleerd' gebruikt: men leert vaak een som en de oplossing van buiten en dát is geen reken- of wiskundevaardigheid! Het gaat om begrijpen en
inzicht en het leren abstraheren. Met abstraheren bedoelen we: éérst inzien, dat 3 x 3 hetzelfde
is als 3 in het kwadraat = 9 (tamelijk concreet); als je dat begrijpt, moet je ook leren inzien, dat
flat x flat = flat in het kwadraat (tamelijk abstract).

De overstap van concreet naar abstract is voor veel kinderen en pubers moeilijk te maken,
omdat zij geforceerd vasthouden aan sommen, die ze 'geleerd' hebben!
Creativiteit, flexibilteit en het rekenen/de wiskunde beschouwen als een puzzle, die
je moet oplossen, zijn de juiste houdingen om succesvol bezig te zijn met rekenen en
wiskunde.

Vaak zien we, dat kinderen/pubers een toets leren door alle opgaven eindeloos te oefenen en
te herhalen, zónder dat ze zelf bij een probleem een opgave (kunnen) bedenken. Na lang
studeren maken ze dan vervolgens een toets (waarin opgaven anders zijn!) en halen ze een
onvoldoende. Gevolg: steeds meer demotivatie voor rekenachtige vakken!

Naast de rekenangst en de demotivatie speelt ook nog de rekenmachine een niet onbelangrijke
rol: de rekenmachine is in het reken-/wiskunde-onderwijs meer doel dan middel geworden.
Eenvoudige tafelsommen, optellingen e.d. worden op de rekenmachine uitgerekend, met als
gevolg, dat kinderen/ pubers de automatisering van tafels, maar ook optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen steeds slechter gaan beheersen. Daardoor zien ze ook steeds
minder snel verbanden tussen cijfers, getallen en bewerkingen.
Het totale hoofdrekenen is in het huidige onderwijs voor een groot deel in het slop geraakt en
dat heeft zeer nadelige gevolgen voor de reken-/wiskundevaardigheden.
Ik heb al meerdere malen meegemaakt, dat leerlingen van het VWO de tafels van vermenig-
vuldiging totaal niet meer beheersen: een ernstige zaak.

Aan reken- en wiskundeproblemen is veel te doen door de rekenangst weg te nemen en de
leerling te leren creatief en flexibel inzicht te verwerven. Nauwkeurig lezen, stapsgewijs werken
en precisie dienen ook gestimuleerd te worden. Met een goede orthodidactische ondersteuning
van rekenen/wiskunde zijn zeer goede resultaten te boeken en gaat de leerling zienderogen
vooruit!
                                                            naar boven                                      

                                                                      


Intelligentie en intelligentietesten


Wat meten intelligentietesten eigenlijk?
Voor kinderen en jongeren kennen we onder andere de volgende intelligentietesten: WISC-III,
SON-R (vooral voor kinderen met een taalachterstand, zoals allochtonen en asielzoekers) en de
RAKIT.
Voor volwassen worden vooral gebruikt: de WAIS-III en de KAIT.

Resing en Drenth definiëren intelligentie als volgt: "Het geheel van cognitieve of verstandelijke vermogens dat nodig is om kennis te verwerven, en daar op een goede wijze gebruik van te maken, ten einde problemen op te lossen die een vast omschreven doel en structuur hebben".

Uit een intelligentietest rolt een IQ en dat is een eenheid/maat om aan te geven hoe intelligent
iemand is. Het IQ wordt door middel van een getal weer gegeven. Het getal 100 is het gemiddelde. Iemand die hoger scoort dan 100 is intelligenter dan de gemiddelde persoon; een score lager dan 100 betekent, dat iemand minder intelligent is dan de gemiddelde persoon.

Aanvankelijk werd het IQ gedefinieerd als de verstandelijke leeftijd gedeeld door de chronologische leeftijd x 100. Dat leverde één getal op.
Omdat het IQ nogal kan fluctueren (uiteenlopen) bij één persoon, maken we tegenwoordig
gebruik van betrouwbaarheidsgrenzen en een interval waarbinnen het IQ van de iemand valt.
De uitslag op een intelligentietest wordt door allerlei factoren beïinvloed, bijvoorbeeld: hoeveel
kennis en kunde (die (in-)direct verband houdt met de testopgaven) heeft de te testen persoon eerder opgedaan?; hoe lekker zit de persoon in zijn vel?; is er sprake van stress, vermoeidheid,
angst, aandachtsproblemen ? e.d.

Bij veel intelligentietesten wordt onderscheid gemaakt tussen de verbale en de performale intelligentie.
Het verbale IQ is het resultaat van een meting van iemands woordenschat, taalgevoel, redeneervermogen met woorden e.d.
Het performale IQ is het resultaat van een meting van iemands praktische handelen (hoe pas
je je kennis praktisch toe bij het aanpakken en oplossen van een probleem?); hier spelen ook motorische vaardigheden en allerlei inzichten (bv. ruimtelijk inzicht) een rol.

Tot slot: het IQ is een genormaliseerd/gestandaardiseerd getal op een schaal, waarvan het
gemiddelde 100 is. De verdeling van de scores, die wordt gehanteerd, levert een normaal -
verdeling (ook wel "Gaussiaanse verdeling" genoemd) op. De verdeling is dan links en rechts
van het midden (100) hetzelfde/symmetrisch.

Hieronder ziet u een normaalverdeling van het IQ; u kunt daaruit opmaken hoeveel % van de
Nederlandse bevolking een bepaald IQ heeft :


                                                             naar boven
                                             


Worden mensen steeds intelligenter?
Deze vraag hangt samen met het fenomeen, dat we kennen onder de naam : "Flynn - effect."
Flynn, een Nieuw-Zeelandse psycholoog, ontdekte, dat, als je een genormeerde intelligentietest
(gemiddelde = 100) 10 jaar later afneemt bij een grote groep personen, het 'gemiddelde' is
verschoven van 100 naar 103 tot 105.  Ofwel: iedere tien jaar neemt het gemiddelde IQ van de bevolking met 3 tot 5 IQ-punten toe! Het gevolg is, dat de test gehernormeerd moet worden om
weer een "reëel gemiddelde van 100"  te krijgen.

Als verklaring voor de tienjaarlijkse IQ-stijging worden o.a. genoemd: betere voeding en
verzorging; betere scholing (en daardoor beter voorbereid op de IQtest); kleinere gezinnen,
waardoor er meer aandacht is voor het individuele kind.

Mogelijk kan de verklaring ook deels worden gezocht in de epigenetica. De epigenetica (een leer, die gebaseerd is op de evolutietheorie van Charles Darwin) bestudeert het proces, waarbij erfelijke eigenschappen binnen een populatie van organismen veranderen in de loop van de generaties, als gevolg van genetische variatie, voortplanting en natuurlijke selectie.

Het zou volgens de epigenetica kunnen zijn, dat mensen hun (hogere) intelligentie 'vastleggen'
in hun genetische eigenschappen, ofwel: wij passen ons óók genetisch aan aan de veranderende
(en in intelligent opzicht steeds meer eisende) omgeving.
Ter illustratie wordt wel het begrip "rudimentaire overerving" aangehaald: slangen hadden vroeger
poten, maar door de veranderde leefomgeving gebruikten ze die steeds minder; slangen, die later 'geboren werden' hadden nog wel poten in aanleg, maar die ontwikkelden zich uiteindelijk niet verder meer, dan tot een paar 'kootjes.'
Volgens de epigenetica zou een dergelijke omgevingsaanpassing ook van toepassing kunnen zijn
op de intelligentie, waardoor mensen de vooruitgang in de intelligentie in hun genen opslaan.


                                                           naar boven

 

Wanneer is iemand hoogbegaafd, gemiddeld intelligent e.d.?
Wechsler (een bekende 'ontwerper' van intelligentietesten) hanteert de volgende kwalificaties
voor het IQ:


   > 130 Hoogbegaafd*
 115-130 Begaafd*
 100-115 Bovengemiddeld
  85-100 Benedengemiddeld
  70-85 Zwakbegaafd
  55-70 Lichte verstandelijke beperking
  40-55 Matige verstandelijke beperking
  25-40 Ernstige verstandelijke beperking
  < 25 Zeer ernstige verstandelijke beperking

* De term 'begaafd' is naar onze mening onjuist en dient vervangen te worden door "intelligent."
   We noemen iemand pas begaafd, als die persoon niet alleen (hoog) intelligent is, maar óók die
   intelligentie ten positieve kan inzetten/toepassen binnen zijn omgeving en de maatschappelijke
   context.

                                                             naar boven

 

Kan je aanvankelijk normaal-gemiddelde IQ 'weg zakken'?
Ja, helaas kan dat!
Door scholing, omgang met anderen, het opnemen en uitwisselen van informatie, vaardigheden
e.d. ontwikkelen we onze cognitieve vaardigheden, d.w.z. manieren van denken en opnemen,
verwerken, beoordelen, toepassen en (re)produceren van informatie.

De cognitieve ontwikkeling kan echter stagneren. Daarbij kan men denken aan mensen met
een NAH (Niet Aangeboren Hersenafwijking), maar bijvoorbeeld ook aan kinderen, die lijden
aan selectief mutisme (een angststoornis, waarbij men niet of nauwelijks praat met anderen).
Bij mensen met een NAH zien we het IQ soms ineens een vrije val maken. Bij kinderen (maar
ook ouderen) met selectief mutisme kan het IQ over de jaren heen steeds meer dalen, doordat
hun cognitieve ontwikkeling/intelligentie (door een tekort aan interactie met anderen) steeds meer
achter blijft bij leeftijdgenoten. Het gevolg kan zijn, dat bijvoorbeeld het eerdere gemiddelde IQ
steeds verder afneemt en op, of zelfs onder het niveau van een Lichte Verstandelijke Beperking
terecht komt.

                                                             naar boven

 

Kun je het intelligentieniveau van iemand beïnvloeden?
De intelligentie van iemand wordt bepaald door drie factoren:
1).Erfelijkheid (bepaalt de intelligentie voor tenminste 50%).
2).De omgeving/het milieu, waarbinnen men leeft en opgroeit (rond de 30% bepalend).
3) De covariantie, die samenhangt met erfelijkheid én omgeving. Uitleg: ouders, die zélf
    intelligent zijn én in een gunstig milieu vertoeven, stimuleren hun kinderen extra in de
    intelligentie-ontwikkeling (rond de 20% bepalend).

Over de mate, waarin elk van deze drie factoren de intelligentie beïnvloedt, bestaan verschillende
opvattingen. Sommigen kennen aan de erfelijkheid zelfs 80% invloed toe!

Hoe het ook zij, men kan tot op bepaalde mate werken aan een snellere/betere ontwikkeling van
de intelligentie, voor wat betreft de verbale en de performale vaardigheden.
Op verbaal gebied kan men denken aan het (meer) lezen van boeken, het (meer) bijhouden van
actualiteiten, het oefenen in spreken en met woorden redeneren.
De performale vaardigheden kunnen worden gestimuleerd door het maken van puzzles, het
spelen met driedimensionale figuren, etcetera.

Naar mijn mening kan een terzake deskundige orthodidacticus/orthopedagoog/psycholoog
ondersteuning bieden bij het sneller/beter ontwikkelen van de verbale en performale
vaardigheden, bv. door het analyseren van de denkwijzen (verbaal en numeriek), de
aanwezige kennis/informatie en de overige cognitieve vaardigheden van/bij een individu.
Op basis van die analyse kan men dat individu meer effectieve en efficiënte denkwijzen
aanleren en die oefenen én hiaten binnen de aanwezige kennis/informatie en overige
cognitieve vaardigheden aanpakken.

Of en hoeveel vooruitgang wordt geboekt, hangt voor een groot deel af van het inzicht en
inlevingsvermogen van de deskundige in het denken/redeneren, doen/handelen en beleven/
voelen van het individu.

Er zijn natuurlijk grenzen aan de mate, waarin de intelligentie van iemand beínvloed kan worden.
Elke mens heeft een 'intelligentie-plafond.' Op welk niveau dat plafond is gelegen, is niet te achterhalen, óók niet met intelligentietesten. Immers, het IQ, dat we meten met behulp van een intelligentietest is slechts een momentopname en niet méér dan dat!
Daarmee is beslist niet gezegd, dat een op een bepaald moment afgenomen intelligentietest geen
voorspellende waarde zou hebben!
De voorspellende waarde is tijdelijk. Vandaar dat resultaten op intelligentietesten een beperkte geldigheidsduur hebben.

                                                             naar boven

 

Wat zijn de gevolgen van een disharmonisch intelligentieprofiel op schaalniveau ?
De resultaten op onder andere de WISC- intelligentietest worden uitgedrukt in een Totaal IQ (TIQ), een Verbaal IQ (VIQ) en een Performaal IQ (PIQ).
Simpel gezegd geeft het VIQ aan, hoe goed iemand verbaal (met woorden) kan redeneren, terwijl het PIQ laat zien, hoe goed iemand praktisch/handelend problemen kan oplossen.

We spreken van een 'disharmonisch intelligentieprofiel op schaalniveau' als er een bepaald
verschil is tussen het Verbale IQ en het Performale IQ. Sommigen spreken van disharmonie
als het verschil 12 IQ punten is; anderen vinden, dat het verschil 15 of 18 IQ-punten moet zijn.

Wanneer het VIQ significant groter is (12, 15 of 18 IQ-punten verschil) dan het PIQ, spreken we van een Vp-kloof; is het PIQ significant groter dan het VIQ, dan noemen we dat een vP - kloof.

Een sterk versimpelde uitleg:
Het gevolg van een Vp-kloof (verbaal sterk; performaal zwakker) kan zijn, dat iemand je precies kan vertellen hoe je moet autorijden, maar als je hem/haar vraagt om het praktisch uit te voeren,
lukt het hem/haar niet.
Andersom kan iemand met een vP-kloof (verbaal zwakker dan performaal) prima met een auto rijden, maar als je hem/haar vraagt om (in woorden) uit te leggen, hoe je moet autorijden, kan hij/zij het niet (goed) aan je vertellen.

Voor sommigen is een disharmonisch intelligentieprofiel op schaalniveau een groot probleem, zowel op school, als in het dagelijkse leven. Dat komt, simpel gezegd, omdat het verbale denken/redeneren en het 'praktische doen' niet met elkaar in balans zijn. Een dergelijke onbalans kan leiden tot irritatie, frustratie, verwarring, een laag zelfbeeld, faalangst, etcetera.
Het is geen wet van Meden en Perzen, dat een onbalans per definitie moet leiden tot problemen.

Vaak zien we bij bepaalde stoornissen een bepaald soort kloof. Zo hebben mensen met
dyslexie nogal eens een vP-kloof (verbaal zwakker); mensen met het syndroom van Asperger
(een stoornis in het autismespectrum) hebben dikwijls een Vp-kloof (verbaal sterk).
Het is belangrijk hier te vermelden, dat men nooit op basis van een bij een intelligentie -
test waargenomen kloof een conclusie mag trekken omtrent het wel of niet aanwezig zijn
van een bepaalde stoornis bij iemand
!


                                                             naar boven