© Edumax 2014

 

                                                Hoogbegaafdheid


Activiteiten:
- Onderzoek naar:
        * de ontwikkelingsvoorsprong bij jonge kinderen;
        * hoogbegaafdheid bij kinderen vanaf 8 jaar;
        * sociaal-emotionele problemen, aandachtsproblemen en gedragsproblemen bij jonge
           kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong en hoogbegaafde leerlingen.
- Behandeling en begeleiding van hoogbegaafde leerlingen en jonge kinderen met een
  ontwikkelingsvoorsprong voor wat betreft:
        * de ontwikkeling van intellectuele en cognitieve vaardigheden;
        * leerproblemen, leerstoornissen en onderpresteren;
        * aandachtsproblemen, gedragsproblemen en sociaal-emotionele problemen.

Behandeling/begeleiding: het aanpakken van factoren, die de leerprestaties en/of het welbevinden
en functioneren van de leerling in de klas en op school belemmeren.
  Voorbeelden van concrete vraagstellingen zijn onder andere:
  * Hoe ga ik om met de “schoolse” leerstof?  (Kan ik die zelf uitdagender maken?
     Waar vind ik aanvullende informatie in de breedte en diepte?)
  * Op welke wijze kan ik binnen het onderwijsaanbod en de groep mijn eigen leer-, denk- en
     oplossingsstrategieën ontwikkelen, zodat ik mezelf optimaal kan (blijven) ontplooien?
  * Waarom leren, denken en voelen andere kinderen/leerlingen anders dan ik?
  * Hoe ga ik met mijn medeleerlingen en de leerkracht om?

 

 

                                    



Velen denken, dat het hebben van een hoge intelligentie gelijk is aan wat men “hoogbegaafd”
noemt. Toch is dat niet zo! Een hoge intelligentie is slechts één van de criteria om van “hoog -
begaafdheid” te kunnen spreken.
Naast een hoog IQ ( 130 en hoger) zijn van belang:
 * het op flexibele en creatieve wijze om kunnen gaan met problemen en oplossingen.
    Dit vereist onder andere het hebben en ontwikkelen van unieke, effectieve en efficiënte
    leer-, denk-, en oplossingsstrategieën;
 * een sterke taakgerichtheid en een groot doorzettingsvermogen, die vanuit het kind/
    de leerling zelf moeten komen (“intrinsieke motivatie”).
 

Met andere woorden: het hebben van een hoge intelligentie (2 % van de bevolking scoort
130 of hoger) is “leuk”, maar het hoge IQ moet ook echt “tot uiting komen” door prestaties
in het schoolse en maatschappelijke leven, om te kunnen spreken van “hoogbegaafdheid.”
Let wel: bij “prestaties” moet men niet denken aan geld verdienen, status e.d., maar eerder
aan de hoge motivatie, creativiteit en buitengewone intellectuele capaciteiten, die de
hoogbegaafde vertoont  in samenspel met de drie maatschappelijke componenten gezin,
school en vrienden.

Een intelligentietest maakt altijd deel uit van een onderzoek naar hoogbegaafdheid.
Echter, bij kinderen jonger dan 8 jaar is het resultaat van een intelligentietest nog niet
voldoende stabiel om – ook al wordt aan de overige criteria wél voldaan – het predikaat “hoogbegaafd” te kunnen toekennen.
Bovendien hebben jonge kinderen (denk aan kleuters) een nog onvoldoende ontwikkelde
fijne motoriek, die óók van belang is om een goede intelligentiemeting te kunnen verrichten.
Tijdens een intelligentietest moeten kinderen namelijk nogal wat taken verrichten, die een
beroep doen op fijn motorische vaardigheden, oog-hand coördinatie en dergelijke.
 

Als we bij kinderen tot 8 à 9 jaar oud duidelijke signalen waarnemen, die wijzen in de richting
van hoogbegaafdheid, spreken we van een ontwikkelingsvoorsprong.
Is een kind/leerling voldoende “rijp” voor een intelligentietest en blijkt uit die test, dat het kind
een hoog IQ heeft én voldoet het kind ook aan de overige criteria,  dán kunnen we spreken
van hoogbegaafdheid.
 


Een onderzoek naar hoogbegaafdheid omvat de volgende onderdelen:
  * een intelligentie-onderzoek;
  * onderzoek naar de persoonlijkheid, de sociaal-emotionele ontwikkeling, de concentratie,
     motoriek, creativiteit, de prestatiemotivatie, het zelfbeeld;
  * gesprekken met en vragenlijsten voor de ouders, de leerkracht en de medeleerlingen uit
     de groep;
  * observaties in de klas/groep;
  * bestudering van de rapporten, de leerprestaties en de sociaal-emotionele ontwikkeling van
     het kind en het door de school bijgehouden LeerlingVolgSysteem (LVS).  



T
ekenen van een ontwikkelingsvoorsprong en hoogbegaafdheid zijn:
  * een bovengemiddeld taalgebruik (in relatie tot leeftijdgenoten) en de beschikking over
     een relatief grote woordenschat;
  * een goed geheugen;
  * een goede concentratie;
  * een taakgerichte instelling;
  * vanuit zichzelf gemotiveerd zijn om te leren;
  * een hoog doorzettingsvermogen;
  * goede scores op schooltoetsen ;
  * over een opvallend brede algemene kennis beschikken ;
  * een goed voorstellingsvermogen en een goede verbeelding hebben ;
  * flexibel, creatief en op originele wijze tot oplossingen komen voor problemen ;
  * “autodidactisch” vermogen: het kind leert zichzelf vaardigheden aan, zoals lezen,
     spellen, rekenen en klok kijken. ;
  * veel initiatieven nemen ;
  * snel, met grote gedachtesprongen en logisch kunnen denken ;
  * goed kunnen observeren ;
  * snel verbanden kunnen leggen en oorzaak-gevolg relaties kunnen aangeven ;
  * het tonen van specifieke interesse(n) op bepaald(e) vlak(ken) ;
  * alertheid; gerichte en kritische vragen stellen; kennis willen vergaren;
  * een onderzoekende,  experimenterende houding ;
  * originele humor tonen ;
  * een hoge mate van onafhankelijkheid en zelfontplooiing ;
  * gevoelig en inlevend omgaan met en reageren op sociale en interpersoonlijke
     relaties.



     
                                     




Van hoogbegaafde kinderen en jongeren verwacht men, dat ze goed zullen presteren in het
BasisOnderwijs en het Voortgezet Onderwijs. Maar zo voor de hand liggend is dat niet!

Door allerlei factoren (beperkte leermiddelen/leerstof,  onderwijsmethoden e.d.) is het
onderwijs vooral gericht op de "gemiddelde presterende leerlingen", want deze vormen
de grootste groep.
Daardoor zien we nogal eens, dat kinderen met leerproblemen en zwakke leerlingen niet
voldoende hulp kan worden geboden.
Maar óók de groep "aan de bovenkant", de hoogbegaafden, valt vaak buiten de boot, 
omdat het onderwijs niet (voldoende) op hun behoeften is afgestemd.
 
Hoogbegaafde kinderen/leerlingen kunnen door een slechte afstemming van het onderwijs
op hun behoeften gedemotiveerd en gefrustreerd raken en zelfs gaan onderpresteren.  
Zij voelen zich “afgeremd” in de klas, omdat de leerstof, de leerstijl, het tempo, het niveau
en dergelijke, te weinig uitdagend zijn.
Kortom, het onderwijs sluit vaak niet aan bij het kennis-, werk- en denkniveau van hoog -
begaafde leerlingen.  

Soms lijken hoogbegaafden wat onhandig en houterig: de lichamelijke, motorische (en
emotionele) ontwikkeling verloopt “normaal”,  maar houdt geen gelijke tred met hun snelle
intellectuele en cognitieve ontwikkeling. We noemen dit “dyssynchrone” ontwikkeling.

Hoogbegaafdheid kan samengaan met dyslexie, AD(H)D en dergelijke.  
Kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong en hoogbegaafde leerlingen kunnen juist
vanwége hun buitengewone capaciteiten sociaal-emotionele problemen, aandachts -
problemen en gedragsproblemen gaan vertonen.  

Hoogbegaafde kinderen snappen dikwijls niet, waarom leeftijdgenoten in de klas anders
denken, voelen en problemen oplossen dan zij.  Het gevaar bestaat dan, dat het hoog -
begaafde kind door de medeleerlingen wordt genegeerd en geleidelijk vereenzaamt. 
Soms kan zo'n kind minderwaardigheidsgevoelens ontwikkelen en ernstig depressief
worden.
Het hoogbegaafde kind kan er ook voor kiezen om “bij de groep te willen horen” (zich
te “conformeren”) en zijn in het oog springende capaciteiten te verbergen. Een dergelijke
opstelling kan tot gevolg hebben: onderpresteren, frustratie, faalangst en/of gedrags -
problemen (de clown uithangen, storende aanwezigheid, agressie en ander hinderlijk
gedrag).  

Meer dan andere kinderen/leerlingen hebben hoogbegaafden nogal eens de neiging om
zichzelf zeer kritisch te bezien en perfectionisme na te streven.
Omdat ze soms (te) hoge eisen aan zichzelf stellen en bijvoorbeeld de omgeving en/of
de eigen (minder snel ontwikkelde) motorische en emotionele vaardigheden hun zelf -
ontplooiing belemmeren, kan een negatief zelfbeeld ontstaan.

Uit het bovenstaande mag duidelijk zijn, dat kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong
en hoogbegaafde leerlingen zich in feite moeten leren aanpassen aan de andere leerlingen:
ze moeten óók leren accepteren, dat leeftijdgenoten hen niet meteen begrijpen.
Zelfacceptatie en het ontwikkelen van een stabiele identiteit/persoonlijkheid zijn van het
allergrootste belang voor kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong en hoogbegaafden..

Edumax kan u van dienst zijn bij het onderzoek en de behandeling van kinderen met een
ontwikkelingsvoorsprong, of hoogbegaafde kinderen.