Gedragsproblemen en sociaal-emotionele problemen

 

Activiteiten:
-  Onderzoek naar (oorzaken van) gedragsproblemen en sociaal-emotionele problemen.
-  Behandeling van, en Remedial Teaching bij, gedragsproblemen en sociaal-emotionele
    problemen en de onderliggende oorzaken, in zoverre die het leren, de leerprestaties en/
    of het welbevinden en functioneren in de klas en op school belemmeren.

 

 

                                

 

 

Zowel voor gedragsproblemen, als voor sociaal-emotionele problemen geldt, dat ze in allerlei
gradaties kunnen voorkomen.  Hoe hardnekkiger een probleem is, des te eerder zal men het als
een "stoornis" kwalificeren.  Er is dan sprake van een zich herhalend en aanhoudend patroon.

Gedragsproblemen hebben te maken met sociaal ongewenst gedrag. Men spreekt daarom
bij gedragsproblemen dikwijls van "anti-sociale problemen."  Anderen hebben immers last van
het gedragsprobleem.


Bij sociaal-emotionele problemen is het individu zélf het "slachtoffer" van zijn / haar
probleem
.

In sommige gevallen is een gedragsprobleem voor de één, een sociaal - emotioneel probleem
voor de ander.  
Denk bijvoorbeeld aan "pesten",  dat als een gedragsprobleem kan voorkomen (bij degene die
pest) én als een sociaal-emotioneel probleem (bij degene die gepest wordt).



                                          

 

 

Tot de gedragsproblemen op school kunnen worden gerekend:

  • verbaal druk zijn
  • brutaal zijn
  • druk zijn met bewegingen (o.a. hyperactiviteit)
  • clownesk gedrag
  • snel afgeleid zijn en verminderde concentratie
  • niet kunnen samenwerken
  • zich niet aan de regels houden
  • anderen pesten
  • ruzie maken
  • vechten/geweld gebruiken
  • conflicten uitlokken
  • overdreven/ongepaste assertiviteit
  • agressief zijn
  • spijbelen
  • liegen
  • stelen
  • van huis weglopen
  • inbreken
  • brand stichten.

 

Sociaal - emotionele problemen op school zijn met name:

  • gepest worden
  • faalangst
  • een laag zelfvertrouwen
  • een negatief zelfbeeld
  • verdriet om een situatie (ruzie, verlies, rouw e.d.)
  • stil, gesloten of terug getrokken zijn
  • sociaal isolement
  • sociale angst
  • te lage assertiviteit
  • onvoldoende weerbaarheid
  • niet genoeg zelfstandig zijn
  • een depressie
  • gevolgen van fysieke, geestelijke en seksuele mishandeling door thuis of omgeving
  • te laag empathisch vermogen: zich niet of onvoldoende in het doen,  denken en voelen
    van anderen in kunnen leven
  • te weinig "zelfreflectie": niet of onvoldoende in staat zijn om het eigen doen, denken en
    voelen kritisch te bekijken.



                               

 

 

     

 

Kinderen en jongeren/adolescenten kunnen soms een specifieke stoornis hebben of ontwikkelen.
We doelen op stoornissen, die te maken hebben met de aandacht, het gedrag, de communicatie,
de pervasieve ontwikkeling, de stemming, angst, tics, het eten, de motorische vaardigheden, de
hechting aan anderen en het niet kunnen spreken in bepaalde situaties.

De bedoelde stoornissen hebben in de meeste gevallen een sterke negatieve invloed op
het leren en het presteren, de concentratie, het gedrag, de werkhouding, het sociaal -
emotioneel functioneren en het welbevinden van het kind/de jongere in de klas en op
school.
Vaak beheersen dergelijke stoornissen het hele dagelijkse leven van het kind, of de jongere én dat van de naaste betrokkenen, zoals ouders/gezin, school e.d..

Leerproblemen en leerstoornissen kunnen andere stoornissen tot gevolg hebben, maar gedrags-
problemen, sociaal-emotionele problemen, aandachtsproblemen kunnen op hún beurt ook leiden
tot leerproblemen (niet zijnde leerstoornissen, zoals dyslexie e.d.!).
Zo kan bijvoorbeeld een depressie het gevolg én de oorzaak zijn van leerproblemen!

Alle mogelijke stoornissen staan omschreven in de "Diagnostic and Statistical Manual of
Mental Disorders, 4th Edition
" (afgekort: DSM-IV) en de "International Classification
of Diseases
, 10th Editon" (ICD-10).



Bij de onderstaande opsomming beperken we ons tot de meest voorkomende stoornissen bij kinderen en jongeren van 4 tot 18 jaar.
(Indien u uitgebreide informatie wilt over de hierna volgende (en andere) stoornissen, klik
dan hier (Psymax).

Psymax onderzoekt én behandelt vele stoornissen bij kinderen, jongeren en volwassenen).

  • Aandachtstekortstoornissen:
    * ADD (Attention Deficit Disorder): Aandachts- en concentratieproblemen, zonder
       dat sprake is van hyperactiviteit en impulsiviteit.
    * ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder): Aandachts- en concentratie -
       problemen MET hyperactiviteit en impulsiviteit. Deze stoornis werd vroeger ook
       wel aangeduid als MBD (Minimal Brain Damage).
    * AD(H)D-NOS( Attention Deficit (Hyperactivity) Disorder - Not Otherwise
       Specified):
    de symptomen voldoen niet aan alle criteria voor AD(H)D, maar toch lijkt
       het patroon er heel veel op.

  • Gedragsstoornissen:
    * CD (Conduct Disorder): gedragsprobleem, dat zich kenmerkt door anti-sociaal
       gedrag,  agressie naar mensen en dieren, vernieling van eigendom, leugenachtigheid,
       diefstal en ernstige schending van regels.
    * ODD (Oppositional Defiant Disorder): opstandig-vijandige stoornis, waarbij sprake
       is van een negativistische, vijandige opstelling, openlijke opstandigheid, ongehoorzaam-
       heid, driftbuien, boosheid, prikkelbaarheid, hatelijkheid en wraakzuchtigheid.
    * DBD-NOS (Disruptive Behavior Disorder - Not Otherwise Specified): niet alle
       symptomen voldoen aan de crtiteria voor CD of ODD,  maar het gedragspatroon lijkt
       er wel heel veel op. Het kind/de jongere heeft moeite zich in klas, gezin en omgeving
       aan te passen en wil de grenzen van zijn omgeving verkennen en overschrijden.


  • Communicatiestoornissen:
    * Stuttering (stotteren): herhalen van klanken, lettergrepen en hele woorden.
       De klank wordt dikwijls verlengd en het maken van woorden gaat met veel
       lichamelijke spanning gepaard.

  • Pervasieve OntwikkelingsStoornissen (POS):
    Een stoornis op dit domein kennen we als als de Autisme Spectrum Stoornis (ASS).
    * Autisme: beperkingen in sociale interacties (de non-verbale communicatie is
       verstoord,  zoals oog-contact, mimiek e.d.); geen normale relaties met leeftijds -
       genoten; niet spontaan met anderen handelingen en gevoelens kunnen delen; er zijn
       nauwelijks/geen sociale of emotionele reacties op de handelingen, of gevoelens van
       anderen.
       De gesproken taal ontwikkelt zich langzaam of niet. Indien er wél sprake is van
       ontwikkelde gesproken taal, dan is er geen/weinig initiatief om een gesprek met
       een ander te beginnen, of vast te houden.
       Het taalgebruik kenmerkt zich door herhalingen en het woordgebruik is eigenaardig
       te noemen.
       Tevens zien we onvermogen tot het uitvoeren van een al dan niet fictief rollenspel.
       Een ander kenmerk van autisme is een typisch(e), vaak abnormale, soort belang-
       stelling, gedrag en activiteit(en): strikt vasthouden aan bepaalde handelingen en
       bewegingen en een abnormale gerichtheid op delen van voorwerpen.
    * Stoornis van Asperger : wordt vaak gezien als een "mildere vorm" van autisme, wat
       men nogal eens aanduidt als "Hoog Functionerende mensen met Autisme" (HFA).
       Vergeleken met "autisme" is er geen/ nauwelijks achterstand in taalontwikkeling, of
       cognitieve ontwikkeling, ten opzichte van leeftijdsgenoten.  
       Bovendien is de sociale interactie kwalitatief beter, omdat de basisvaardigheden van
       sociaal gedrag zich beter ontwikkelen en er is - meer dan bij autisme - sprake van een
       normale, of zelfs hoge, intelligentie.
       Er zijn echter ook duidelijke overeenkomsten tussen Asperger en autisme: weinig
       nonverbaal gedrag; geen échte relaties met leeftijdsgenoten; niet delen van activiteiten;
       gevoelens e.d. met anderen; geen sociale of emotionele reacties,  rigide en eenzijdig(e)
       gedrag, belangstelling en activiteiten.
       Asperger-kinderen/jongeren zijn vaak chaotisch en ongestructureerd in hun doen en
       laten: ze vergeten vaak dingen te doen; ze ruimen hun kamer niet op; ze hebben moeite
       met het plannen en organiseren. Ze hebben ook nogal eens de neiging om discussies
       aan te gaan met hun ouders/het gezin/de leerkracht e.d., waarbij het meer gaat om het
       discussiëren zélf, dan om de inhoud van de discussie.
    * Stoornis van Rett en de Desintegratiestoornis van de kinderleeftijd (CDD) : twee
       verschillende stoornissen, die echter beide gekenmerkt worden door een aanvankelijk
       normale ontwikkeling.
       Bij Rett zien we in de leeftijdsperiode van 5 tot 48 maanden een verminderde schedel-
       groei en daarmee gaan dan o.a. gepaard:  rigide handbewegingen (handen wringen);
       vermindering van de sociale betrokkenheid; verstoorde coördinatie bij het lopen; een
       afnemend vermogen om taal correct te begrijpen/interpreteren (receptieve taal) en om
       zich uit te drukken in taal (expressieve taal). Ook zien we een toenemende psycho -
       motorische achterstand.
       Opvallend bij de Desintegratiestoornis van de kinderleeftijd is, dat tussen het 2e en 10e
       levensjaar de volgende vaardigheden ernstig verminderen: het zich kunnen uitdrukken in
       taal en taal kunnen begrijpen/interpreteren; het zich kunnen aanpassen; sociale vaardig-
       heden; zindelijk zijn; spelen en de motoriek.
       De sociale interacties en de communicatie kunnen ernstig worden beperkt en het
       gedrag, de belangstelling en activiteiten vertonen abnormale en rigide patronen.
    * Pervasive Developmental Disorder - Not Otherwise Specified (PDD-NOS):
       Hieronder valt ook het zogenaamde "Atypische autisme." Er is sprake van PDD-NOS,
       als de symptomen niet voldoen aan alle criteria, zoals omschreven voor bovengenoemde
       Autisme Spectrum Stoornissen,  maar er zijn wel degelijk ernstige tekorten in de ont -
       wikkeling van de sociale interactie, de verbale of non-verbale communicatie en/of het
       kind/de jongere toont rigide gedrag, activiteiten en interesses.


  • Stemmingsstoornissen:
    * Episodes (perioden):
       1) Depressieve episode: zich verdrietig of leeg voelen, sterk verminderde interesse en
           plezier in dagelijkse dingen, weinig energie hebben, zich waardeloos voelen, slechter
           kunnen denken en concentreren, gedachten aan de dood. Sociale en beroepsmatige
           beperkingen.
       2) Manische episode: sterk verhoogde stemming (euforie), overdreven eigenwaarde
           en grootheidsgevoelens, meer (drang tot) spreken, zich abnormaal intensief op een
           bepaalde activiteit richten. Sociale en beroepsmatige beperkingen en mogelijke
           ziekenhuisopname en psychotische kenmerken.
       3) Gemengde episode: er is zowel sprake van (een) depressieve episode(s), als van
           manische episode(s).
       4) Hypomane episode: hetzelfde als een manische episode,  maar het beeld is wat
           "milder" in die zin, dat, in vergelijking met de manische episode, er geen duidelijke
           beperkingen in het sociaal en beroepsmatig functioneren zijn, of opname in een
           ziekenhuis nodig  is. Ook zijn er geen psychotische kenmerken.

       
    Afhankelijk van:
       -  de frequentie waarmee (een) episode(s) voorkomt/voorkomen;
       -  de intensiteit van de genoemde episodes;
       -  de opeenvolging van bepaalde episodes;
       -  het al dan niet voorkomen van (een) bepaalde episode(s) 
       -  en andere kenmerken, zoals psychotisch, chronisch, katatoon, vitaal, atypisch e.d.
           kan een heel scala aan depressieve  stoornissen  worden opgesomd, zoals
           de eenmalige depressieve stoornis, de terugkerende depressieve stoornis, de
           dysthyme stoornis, de niet anderszins omschreven depressieve stoornis, bipolaire
           stoornissen (type I en II), en dergelijke.


  • Angststoornissen:
    * Paniekaanval: hevige angst en onbehaaglijk gevoel, hartkloppingen, naar adem
       happen en gevoel van verstikken/ademnood, pijn op de borst, transpireren, trillen,
       misselijk zijn, duizeligheid, derealisatie en/of depersonalisatie (je omgeving en jezelf
       als onwerkelijk ervaren), angst om gek te worden en dood te gaan, tintelingen in
       hoofd, handen, voeten e.d.
    * Agorafobie: hevige angst, omdat men het gevoel heeft niet uit een situatie weg te
       kunnen en geen hulp kan krijgen bij een eventuele paniekaanval. Er is sprake van
       vermijdingsgedrag: men wil niet in bepaalde ruimtes zijn; men kan niet met het
       openbaar vervoer reizen; men vermijdt rijden door een tunnel of over een brug.
       Drukke winkels, rijen voor een kassa, files op de weg,  etc. worden vermeden.
    * Specifieke fobie: een overdreven/onredelijk aanhoudend gevoel van angst, dat 
       echter door de betrokkene als zeer intens wordt ervaren. De angst kan te maken
       hebben met een bepaald voorwerp, of met een bepaalde situatie, of met een bepaald
       wezen: dieren, bloed, hoogte/diepte, etcetera.  De voorwerpen of situaties worden
       vermeden. De confrontatie met de specifieke situatie of het voorwerp en zelfs de
       gedachte eraan, kan een hevige angstreactie, of zelfs een paniekaanval, oproepen.
    * Sociale fobie: een overdreven/onredelijk aanhoudend gevoel van angst, dat echter
       door de betrokkene als zeer intens wordt ervaren. De angst hangt samen met één
       of meerdere sociale situaties, waarin men met onbekenden moet functioneren en/of
       presteren en/of kritisch beoordeeld wordt door andere mensen.  
       Er is sprake van vermijding van dergelijke situaties. De gedachte of blootstelling aan
       zo'n situatie roept hevige angst of een paniekaanval op.
    * Obsessieve-compulsieve stoornis (OCD) : dwangmatig denken of dwangmatig
       handelen. Ook wel "dwangneurose" genoemd.
       De betrokkene is zich er weliswaar van bewust, dat hij/zij zichzelf die dwang oplegt,
       maar tegelijkertijd leidt het uitvoeren van de gedachten of handelingen tot een ver -
       mindering van de angst of het lijden.
       Die vermindering is echter van (zeer) korte duur, want er is sprake van een steeds
       terugkerende en aanhoudende dwang.
       Dwanghandelingen komen voort uit dwanggedachten, of het rigide volgen van regels.
       Voorbeelden van dwanghandelingen met zich steeds herhalend(e) gedrag/activiteit(en):
       voortdurend dingen controleren (gasfornuis, deursloten e.d.), voorwerpen tellen,
       objecten aanraken, op een bepaalde vaste wijze rekenbewerkingen uitvoeren, en
       dergelijke.
    * Posttraumatische stress-stoornis: de betrokkene is direct geconfronteerd geweest
       met (een) traumatische gebeurtenis(sen), als getuige en/of als direct slachtoffer.  
       Tijdens die gebeurtenis(sen) was sprake van feitelijke of dreigende dood, of een
       ernstige verwonding, of inbreuk op de lichamelijke waardigheid.  
       Denk aan: inbraken, overvallen, aanrandingen/verkrachtingen, auto-ongelukken,
       vliegtuig-ongeluk,aardbevingen, gijzelingen en oorlogsgeweld.
       De betrokkene reageerde op de gebeurtenis met intense angst, hulpeloosheid of
       afschuw.  
       De traumatische gebeurtenis(sen) wordt/worden steeds opnieuw beleefd tijdens
       bepaalde gedachten en herinneringen, enge dromen e.d. en dan treden vaak
       angstreacties op met allerlei lichamelijke klachten (verlamd zijn, hartkloppingen,
       geen adem meer krijgen etc.).
       Er is sprake van vermijding en verdringing van gedachten, gevoelens, plaatsen en
       allerlei andere factoren, die met het trauma samenhangen.
       Tevens zien we verhoogde spanning en alertheid: gespannen zijn, prikkelbaar zijn,
       minder plezier in dingen en concentratieproblemen.  
       Betrokkene voelt zich schuldig, omdat hij/zij de gebeurtenis niet heeft kunnen voor-
       komen, of een andere (positieve) wending heeft kunnen geven.
       Symptomen komen 3 maanden na het trauma en duren langer dan 1 maand.
    * Acute stress-stoornis: de aanleiding en de symptomen zijn hier dezelfde als bij de
       posttraumatische stoornis.
       De symptomen treden echter na maximaal één maand al op en ze zijn ten hoogste
       gedurende één maand aanwezig.
    * Gegeneraliseerde angststoornis, inclusief de Overmatige angststoornis
       in de kinderleeftijd: abnormale angst en bezorgdheid over gebeurtenissen en
       activiteiten. Bij kinderen gaat dit nogal eens om de schoolprestaties!
       Symptomen kunnen zijn: rusteloos, opgewonden, geïrriteerd, en/of prikkelbaar zijn,
       snel vermoeid zijn, verhoogde spierspanning, problemen hebben met slapen en met
       concentreren. Lichamelijke klachten en beperkingen in het functioneren in sociale
       en/of beroepsmatige situaties en/of op school.
    * Selectief mutisme: zie onder "overige stoornissen."


  • Tic-stoornissen:
    * Stoornis van Gilles de la Tourette:  hierbij treden zowel ongecontroleerde  
       motorische tics (bewegingstics) als vocale/verbale tics (geluidstics) op.  
       Een "tic" is een snelle, herhaalde, plotselinge motorische beweging of verbale/vocale
       uiting. Duurt langer dan 1 jaar.
    * Chronische motorische of vocale tic-stoornis: er is sprake van óf een/meerdere
        motorische tic(s) óf van vocale tics, maar niet van alle twee. Duurt langer dan 1 jaar.
    * Passagère tic-stoornis: enkelvoudige, dan wel meervoudige,  motorische tic(s) én/
       óf vocale tics.  Het verschil met Gilles de la Tourette en de chronische tic-stoornis is,
       dat de Passagère tic-stoornis niet langer dan één jaar duurt.

  • Eetstoornissen:
    * Anorexia Nervosa: gestoord eetgedrag vanuit een onweerstaanbare drang om af te
       vallen. Hoewel er (ernstig) ondergewicht is, heeft de betrokkene intense angst om in
       gewicht toe te nemen of dik te worden.
       Men is geobsedeerd door eten, gewicht en lichaamsomvang. Calorieën worden steeds
       opnieuw geteld en men piekert voortdurend over wat men wel of niet moeten eten.
       De betrokkene heeft last van stress en functioneert sociaal minder, omdat vaak alles
       wordt gedaan om het gestoorde eetgedrag geheim te houden voor de omgeving.
       Door de vermagering en ondervoeding treden lichamelijke klachten op en indien de
       drang om af te vallen niet kan worden gestopt, zal de betrokkene overlijden.
    * Bulimia Nervosa: steeds terugkerende periodes van vreetbuien. Men eet in een
       korte tijd veel meer, dan waar de meeste mensen in zo'n kort tijdsbestek behoefte
       aan zouden hebben. De betrokkene heeft het gevoel niet te kunnen stoppen met
       eten.  Men spreekt wel van een "eetverslaving", omdat het eten op zich doel is en
       niet het stillen van de honger.
       De betrokkene compenseert de vreetbuien door te braken, laxeermiddelen te
       gebruiken, te vasten, abnormale lichaamsbeweging e.d.
       Men heeft vaak last van stress en functioneert sociaal minder, omdat alles wordt
       gedaan om het gestoorde eetgedrag, het braken e.d. geheim te houden voor anderen.
    * Eetstoornis - Niet anderszins omschreven (NAO): er sprake is van een aantal
       kenmerken van Anorexia of Bulimia, maar niet alle kenmerken zijn aanwezig, of er
       is sprake van een combinatie of afwisseling van kenmerken.

  • Stoornissen in de motorische vaardigheden:
    * Dyspraxie (Developmental Coordination Disorder (DCD)) : de coördinatie van
       de motoriek is duidelijk gestoord, waardoor de uitvoering van allerlei bezigheden veel
       moeilijker gaat, dan men zou mogen verwachten bij kinderen van gelijke leeftijd met
       hetzelfde intelligentieniveau.
       Het kind/de jongere heeft moeite met het automatiseren van allerlei handelingen en dit
       heeft ook zijn uitwerking op de gedachten, gevoelens en het bewustzijn.
      
       Hierna volgt een lijst met problemen, die kinderen met dyspraxie kunnen ondervinden.
       Sommige kinderen vertonen vele symptomen, maar er zijn ook kinderen met dyspraxie,
       waarbij men slechts enkele problemen aantreft.
       Te noemen zijn:
       - moeite met de grove motoriek: (leren) lopen en fietsen; een bal slaan, gooien
         en opvangen;
       - een zwakke fijne motoriek: onder andere het schrijven en het strikken van
         schoenveters;
       - problemen met de volgorde en ordening, zowel qua handeling (wat eerst doen en
         wat dan?), als qua gedachtegang (de volgorde/opbouw in een verhaal;  moeite met
         het plannen en het uitvoeren van taken, e.d.);
       - moeite met spraak en taal (vereist immers gecoördineerde motoriek!);
       - een beperkte oog-hand coördinatie;
       - leerproblemen op het gebied van lezen, rekenen en schrijven;
       - overdreven om aandacht vragen;
       - abnormaal emotioneel reageren;
       - gedragsproblemen ten gevolge van o.a. frustratie en onzekerheid (o.a. clownesk
         gedrag of agressief zijn);
       - zich moeilijk langere tijd kunnen concentreren;
       - een beperkt ruimtelijk bewustzijn: waar ben ik en hoever/waar is dat ander(e)
         object, individu ten opzichte van mij?;
       - weinig besef van tijd, kleuren, vormen, inhouden, afmetingen en dergelijke.
     

  • Overige stoornissen op kinderleeftijd of in de adolescentie :
    * Separatie-angststoornis: een overdreven en onredelijke angst om te worden
       gescheiden van huis, of van personen aan wie het kind gehecht is.
       Het kind is aanhoudend en overdreven bezorgd, dat:
          - het iemand zal verliezen aan wie het gehecht is;
          - iemand waaraan het gehecht is,  iets kwaads/ergs kan overkomen.
       Er is een voortdurende tegenzin of weigering om naar school (of ergens anders) te
       gaan, omdat het kind daardoor wordt gescheiden van mensen aan wie het gehecht is.
       Het kind wil niet alleen zijn en kan niet gaan slapen, als er niet iemand in de buurt is,
       aan wie het gehecht is.
       Het kind heeft steeds weer nachtmerries over scheiding.
       Als zich een scheiding van de mensen, aan wie het kind gehecht is, voordoet, of als
       die scheiding verwacht wordt, heeft het kind lichamelijke klachten, zoals hoofdpijn,
       buikpijn, misselijkheid of braken.
       Er is duidelijk sprake van "lijden" en/of beperkingen in het functioneren op allerlei
       terreinen,  zoals sociaal en school.
    * Selectief mutisme: vroeger ook wel "electief mutisme" of  "verkozen sprakeloosheid"
       genoemd, omdat men dacht, dat het niet spreken zowel met het "willen" als het
       "durven" van het kind te maken had. Het kind zou dus zelf  "voor het wel/niet spreken
       kunnen kiezen."
       Tegenwoordig wordt selectief mutisme beschouwd als een angststoornis; bij 90% van
       deze kinderen is sprake van een sociale fobie.
       De gangbare definitie van selectief mutisme: "Consistent onvermogen om te spreken in
       specifieke sociale situaties, ondanks het wel kunnen spreken in andere situaties."
       Vaak is er sprake van een extreme verlegenheid of van schaamte (bijvoorbeeld om in
       aanwezigheid van anderen je eigen stem te horen).
       Kinderen met selectief mutisme spreken meestal niet tegen volwassenen (behalve in het
       gezin) en op school praten ze niet of amper met medeleerlingen. Als er al communicatie
       is, gaat die doorgaans non-verbaal; sommige kinderen fluisteren alleen tegen bepaalde
       mensen.
       Het moge duidelijk zijn, dat het niet spreken tegen anderen de sociale communicatie,
       het schools functioneren en de hele ontwikkeling (intellectueel, sociaal-emotioneel,
       gedragsmatig, kennis en ervaringen opdoen) ernstig belemmert. 
       Deze kinderen/jongeren dreigen in een sociaal isolement te geraken, met alle gevolgen
       vandien.
       Selectief mutisme komt meer bij meisjes voor, dan bij jongens.
       De eerste symptomen worden zichtbaar op 1-3 jarige leeftijd,  maar meestal wordt
       selectief mutisme pas vastgesteld op 4-8 jarige leeftijd.  Dit komt, doordat het kind
       dan verbaal moet gaan functioneren op school en in de klas, dit wil zeggen buiten het
       "veilige gezin."
    * Reactieve hechtingsstoornis op de kinderleeftijd: treedt op vóór het 5e levensjaar.
       De sociale relatievormen passen niet bij de ontwikkeling en ze zijn duidelijk gestoord.
       Het lukt dan niet om tot normale sociale interacties te komen of normaal op sociale
       interacties te reageren.
       Er zijn geen duidelijke bindingen/hechtingen met anderen, want het kind is vriendelijk
       zonder enige kritiek te hebben (ook tegenover vreemden) en het vermogen om te
       selecteren met wie men wel of niet omgaat, ontbreekt.  
       Het kind gaat met verschillende personen en karakters hetzelfde om, omdat het een
       onvermogen heeft om op elk individu passend of aangepast te kunnen reageren.
       Aan de basis ligt een vroegkinderlijke verwaarlozing van emotionele behoeften bij het
       kind (troost bieden,  aanmoedigen,  affectie tonen) en/of van de lichamelijke basis -
       behoeften (voeding, verzorging).
       Ook het herhaald wisselen van de vaste verzorger kan een rol spelen, omdat daardoor
       geen lange stabiele hechting plaats vindt.



Edumax onderzoekt en behandelt kinderen en jongeren met aandachtsproblemen,
gedragsproblemen, sociaal - emotionele problemen en psychische stoornissen.
Zulke problemen en stoornissen kunnen al dan niet voorkomen in combinatie met
een leerprobleem, een leerstoornis, leerachterstanden, onderpresteren op school
en problemen in de klas en in het gezin.
Wij geven op basis van gesprekken, observaties, aangeleverde informatie, testen
e.d. concrete, duidelijke en praktisch hanteerbare adviezen voor de omgang met
en aanpak van deze kinderen en jongeren.

Wilt u uw kind/jongere met name laten onderzoeken en/of behandelen in verband
met een psychische stoornis, kijkt u dan ook op onze andere site: www.psymax.nl
U vindt daar meer informatie over de kenmerken / symptomen, de behandeling en
de vooruitzichten van vele stoornissen, waar kinderen / jongeren, maar óók jong
volwassenen en volwassenen mee te maken kunnen hebben.