Dyslexie; lees -,spelling - en taalproblemen.

Activiteiten:
- Dyslexie-onderzoek
- Onderzoek naar leerachterstanden in lezen, spelling en taal
- Remedial Teaching bij dyslexie en leerachterstanden/problemen  
  binnen lezen, spelling en taal.

Definitie van dyslexie: de automatisering van het lezen en/of het spellen
ontwikkelt zich niet, dan wel zeer onvolledig, of zeer moeizaam.
Onder "Dyslexie" verstaat men een leesstoornis én/of een spellingstoornis.
Zo'n spellingstoornis heet in het vakjargon "Dysorthografie."

 

Wanneer spreken we van dyslexie?

* Tenminste een gemiddelde intelligentie.
   Kinderen met een te lage intelligentie behalen vaak op álle schoolvakken lage
   scores,  dus óók op technisch lezen (het puur lezen van woorden/zinnen) en
   spelling.
   Dit wordt een "algemeen leerprobleem" genoemd en niét dyslexie!

* Significante achterstand.
   Voor wat betreft het technisch lezen en/of spellen moet op verschillende
   meetmomenten een duidelijke ("significante")  achterstand aangetoond worden.
   We spreken van een significante achterstand, als een kind volgens de CITO-
   normen een E-score behaalt op diverse lees- en spellingtesten.
   Het kind behoort met een CITO-score op niveau E tot de categorie 10% zwakste
   lezers en/of spellers
.
   De prestaties van het kind op technisch lezen en/of spellen wijken duidelijk af
   van de prestaties op de andere schoolvakken. Zoals gezegd, is in het geval dat
   álle vakken slecht scoren, sprake van een algemeen leerprobleem.

   1) N
iet altijd hoeft een kind tot de categorie 10% zwaksten te behoren!
    
   Begaafde en hoogbegaafde kinderen scoren vaak tóch beter dan de 10%
       zwaksten, omdat ze manieren van aanpak bij lezen en spellen kunnen ont-
       wikkelen, die een leesstoornis en/of spellingstoornis maskeren.
       De begaafde en hoogbegaafde kinderen vallen dan niet onder de 10% zwaksten,
       maar de kloof, die er is tussen de vakken technisch lezen en/of spellen enerzijds
       en de overige schoolvakken anderzijds, is tóch significant aanwezig.
   2) Er zijn ook kinderen/jongeren, die niet begaafd of hoogbegaafd zijn én
       op álle schoolvakken slecht scoren, die tóch dyslectisch kunnen zijn.
       Een significant verschil tussen technisch lezen en/of spellen aan de ene kant en
       de overige schoolvakken aan de andere kant wordt dan niét waargenomen.
       Verklaring: kinderen/jongeren bij wie de dyslexie niet tijdig is onderkend/
       gesignaleerd, kunnen ernstige faalangst, demotivatie e.d. ontwikkelen,
       waardoor ze aan het schoolse leren in het algemeen "de brui geven" en
       op alle vakgebieden slecht gaan scoren.   

   TIjdens een dyslexie-onderzoek wordt ook een intelligentietest afgenomen.
   Vaak (maar lang niet altijd!) wordt bij een dyslectisch kind een significant verschil
   waargenomen (van tenminste 12 IQ-punten) tussen de verbale capaciteiten
   en de performale capaciteiten. De verbale capaciteiten (taal en redeneren in
   woorden) zijn dan lager dan de performale capaciteiten (handelen zónder taal).
   We noemen dit een "vP kloof"; het intelligentieprofiel is dan "disharmonisch."
   
* Didactische resistentie, of hardnekkigheid: ondanks extra ondersteuning in de vorm
   van Remedial Teaching voor technisch lezen en/of spelling gedurende minimaal 15
   tot 20 weken, lukt het niet, om de significante achterstand weg te werken.

Wanneer een kind/jongere aan de eisen voor dyslexie voldoet, maar tot op het moment
van het onderzoek géén Remedial Teaching heeft gehad, is de hardnekkigheid nog niet
aangetoond. In dit geval wordt een voorlopige (of uitgestelde) verklaring opgesteld.
De school zal dan het kind/de jongere beschouwen, alsof er sprake is van dyslexie.
Het kind/de jongere moet ná het onderzoek direct Remedial Teaching gaan volgen
gedurende minimaal 15 tot 20 weken.  Als blijkt, dat de vooruitgang ondanks de
RT minimaal is geweest, dán is er sprake van didactische resistentie/hardnekkigheid
en krijgt het kind/de jongere na afronding van het gehele onderzoek (zie hieroner) een definitieve dyslexieverklaring.
   
Het moge duidelijk zijn, dat dyslexie-onderzoek maatwerk is!

 

Ouders, scholen en externe deskundigen kunnen een kind/jongere aanmelden,
indien een vermoeden bestaat, of reeds is vastgesteld, dat het kind/de jongere
te kampen heeft met één of méér van de volgende problemen:

  • Dyslexie.      

    * Situatie 1: vermoed wordt, dat het kind dyslectisch is.
    Er zal een onderzoek plaats vinden, om na te gaan of daadwerkelijk sprake
    is van dyslexie. De school levert meestal de gegevens van het LeerlingVolg-
    Systeem (LVS) aan.  
    Tevens wordt onderzocht, of het kind andere leerproblemen, of gedrags -
    problemen, of sociaal-emotionele problemen heeft. Vaak treden bij dyslexie
    namelijk nog andere problemen op: rekenproblemen, concentratieproblemen,
    onzekerheid, (faal-)angst, een negatief zelfbeeld, etcetera.

    Indien op grond van de onderzoeksresultaten de diagnose "dyslexie" is gesteld,
    wordt een dyslexieverklaring afgegeven. Zo'n verklaring blijft altijd geldig.
    In de onderzoeksrapportage wordt duidelijk aangegeven, wat door de school,
    de ouders en de remedial teacher moet worden gedaan, om het dyslectische 
    kind optimaal te ondersteunen bij de lees- en/of spellingstoornis en aan welke
    andere problemen óók aandacht zal moeten worden besteed.

    Voor de afgifte van een dyslexieverklaring wordt samengewerkt met
    Drs. Colinda Boemaars.  Zij is orthopedagoge en BIG geregistreerd
    GZ-Psycholoog (BIG-Register Nummer 19063360025).

    Om u als ouders of school niet op onnodige kosten te jagen, wordt het dyslexie-
    onderzoek in twee afzonderlijke delen uitgevoerd.
    - In het eerste deel wordt gekeken, of er daadwerkelijk sprake is van dyslexie.
      Dit noemen we de "onderkennende diagnose." In deze eerste fase wordt ook
      al een deel van de "verklarende diagnose" uitgevoerd.
      Tijdens lees- en spellingtesten (onderkennende fase) wordt vaak al voor
      een groot deel duidelijk, wáárom een kind/jongere veel moeite heeft met
      het technisch lezen en/of het spellen. De vraag naar het wáárom is een
      onderdeel van de "verklarende diagnose."
      Als uit het eerste deel van het onderzoek blijkt, dat het kind/de jongere
      inderdaad dyslectisch is, wordt het onderzoek voortgezet met het tweede
      deel.
      Blijkt het kind niét dyslectisch te zijn, dan wordt het tweede deel van het
      onderzoek niet meer afgenomen. Het kind kan dan als lees- en/of spellingzwak
      worden aangemerkt, maar van een leesstoornis en/of spellingstoornis is geen
      sprake.
    - Het tweede deel van het onderzoek omvat het uitvoeren van de verklarende
      diagnose
    (onderzoeken wáárom het kind/de jongere een lees- en/of spelling-
      stoornis heeft). Meestal is er sprake van:
      . een fonologisch probleem: het slecht kunnen koppelen van letters (grafemen)
        aan klanken (fonemen) en/of klanken niet goed aan letters kunnen koppelen.
        Het kunnen koppelen van letters/lettergroepen aan klanken/klankgroepen
        (noodzakelijk voor technisch lezen) noemen we het "decoderen."
        Het omgekeerde: koppelen van klanken/klankgroepen aan letters/letter -
        groepen heet "coderen." Deze vaardigheid is nodig voor het spellen.
      . een probleem met het zogenaamde sequentiële werkgeheugen: de volgorde
        van klanken en letters wordt niet goed vastgehouden en verwerkt in het ge-
        heugen. Bij het sequentiële wergeheugen maken we onderscheid tussen het
        auditieve deel (dat, wat je hoort) en het visuele deel (dat, wat je ziet).
      In deze fase wordt ook onderzocht, of het kind/de jongere nog andere
      problemen,  of stoornissen heeft, die samengaan met de dyslexie. Dit noemen
      we "comorbiditeit." Comorbide factoren kunnen onder andere zijn: faalangst,
      demotivatie, gedragsproblemen, concentratieproblemen.

      Tot slot wordt de "handelingsgerichte/indicerende diagnose" verricht. Hierbij wordt
      onderzocht én aangegeven, welke maatregelen nodig zijn, om de problemen, die
      het kind/ de jongere binnen het onderwijs (en daarbuiten) ervaart vanwege de
      geconstateerde dyslexie en comorbide factoren, zoveel mogelijk te verminderen,
      of op te heffen.  
      Adviezen voor het onderwijs betreffen tenminste:
      - Remediërende maatregelen: adviezen voor leerkracht/vakdocent en remedial
        teacher, om de benodigde vaardigheden op het gebied van lezen en/of spelling
        voor talen als Nederlands en Engels (Basisonderwijs) en andere talen (Duits,
        Frans, Spaans e.d.) optimaal te ontwikkelen.
        Hieronder vallen óók adviezen m.b.t. leergedrag (hoe moet je bv. grammatica
        en woordjes leren?), adviezen m.b.t. leestrategie (welke manier van lezen past
        het best bij deze leerling en dít schoolvak?)
        Immers, het goed kunnen lezen is niet alleen nodig voor taalvakken, maar óók
        voor alle andere schoolvakken: kennis wordt bij andere vakken (denk onder
        andere aan biologie, aardrijkskunde, economie, wiskunde, natuurkunde) via
        schriftelijke taal (boeken, handleidingen, etcetera) overgedragen én getoetst.
      - Compenserende en dispenserende maatregelen: uit het onderzoek komt naar
        voren, wat de zwakke en sterke punten van de dyslectische leerling zijn; die
        punten worden nader uitgewerkt en er worden vervolgens maatregelen
        genoemd, die nodig zijn om de sterke punten van de leerling optimaal te
        hanteren en te ontwikkelen. Aldus worden de zwakke punten gecompenseerd.
        Gedacht kan worden aan het voorlezen van teksten, proefwerk-/examenvragen;
        mondelinge, in plaats van schriftelijke, overhoringen; het minder streng  be -
        oordelen van spellingfouten bij taalvakken en andere schoolvakken; het gebruik
        van "legale spiekboekjes" (voor toepassing spellingregels e.d.).
        Het gebruik van hulpmiddelen als een laptop en een zogenaamde "daisyspeler",
        of het verstrekken van leerstofschema's worden ook als compensatiemaatregel
        gehanteerd.
        Typische dispenserende maatregelen zijn: vrijstelling voor een schoolvak;
        het niet hardop hoeven lezen in de klas; alléén een mondeling examen hoeven
        afleggen en dus vrijstelling voor het schriftelijk examen.

      Als een kind/jongere het onderzoek heeft afgerond, wordt een rapportage
      geschreven en een dyslexieverklaring verstrekt, die door een daartoe bevoegde
      GZ-Psycholoog is ondertekend.

     
        



    * Situatie 2: de diagnose "dyslexie" is reeds gesteld.
    De rapportage van reeds uitgevoerd dyslexie-onderzoek wordt grondig
    bestudeerd, evenals de schoolgegevens en eventuele andere onderzoeken,
    die het kind al heeft doorlopen.
    Tenslotte vindt overleg met de school en de ouders plaats en wordt een
    handelingsplan opgesteld, dat de leidraad vormt voor de Remedial Teaching.
    Indien het kind ook andere problemen heeft, worden deze bij de behandeling
    meteen "meegenomen".


                        


  • (Leer-)achterstanden in lezen, spelling en taal.

    Moeilijkheden met lezen, spelling en taal kunnen vóórkomen, zonder dat
    het kind dyslectisch hoeft te zijn.
    Hierdoor ontstaan/bestaan vaak "(leer-)achterstanden",  die geheel of
    grotendeels weg te werken zijn door middel van Remedial Teaching bij
    Edumax.


    Achterstanden kunnen onder andere betrekking hebben op:
    * het technisch lezen
    * het begrijpend lezen
    * de spelling
    * de schriftelijke taalvaardigheid/het schriftelijk formuleren ("stellen")
    * het samenvatten
    * de mondelinge taalvaardigheid
    * de woordenschat
    * de grammatica/het ontleden